|
Uitspraak
00/3538
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beslissing op bezwaar van 11 maart 1998 heeft gedaagde zijn besluit
van 28 juli 1997 gehandhaafd om appellant ingaande het tweede kwartaal
van 1997 geen kinderbijslag toe te kennen voor de kinderen [kind 1],
geboren [in] 1982, [kind 2], geboren [in] 1984 en [kind 3], geboren [in]
1986.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 mei 2000 het beroep
tegen het besluit van 11 maart 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag,
op de bij aanvullend beroepschrift van 14 september 2000 aangevoerde
gronden gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en te
bepalen dat appellant aanspraak heeft op kinderbijslag voor genoemde
kinderen vanaf het tweede kwartaal van 1997.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij schrijven van 13 oktober 2000.
De gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingezonden bij brief
van 14 juni 2001.
Gedaagde heeft hierop gereageerd bij brieven van 18 en 25 februari 2002
(met bijlagen).
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 juli 2002.
Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van Schijndel,
voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde C.J. Siemerink,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De in rubriek I genoemde kinderen, voor wie appellant kinderbijslag
heeft aangevraagd, woonden ten tijde in geding in Egypte. Hun [moeder]
(nader: [moeder]) en op de geboorteakten staat appellant als de vader
vermeld. Blijkens een Egyptische akte, in vertaling genaamd: "authentication
of marriage deed", is appellant in 1997 met [moeder] gehuwd.
Volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie te Amsterdam
is dit huwelijk op 23 februari 1997 weer ontbonden. Volgens diezelfde
gegevens is appellant sedert 15 februari 1997 gehuwd met [naam
echtgenote].
Gedaagde heeft de aanvraag om kinderbijslag afgewezen. Overwogen is, dat
de kinderen niet kunnen worden aangemerkt als eigen kinderen van
appellant, omdat ten tijde van hun geboorte geen wettig huwelijk bestond
tussen hem en de moeder. Van aangehuwde kinderen kan geen sprake zijn,
omdat in het tijdvak waarover het huwelijk heeft bestaan, geen peildatum
valt van een kwartaal waarover appellant aanspraak op kinderbijslag zou
kunnen maken. Tenslotte kunnen de kinderen niet als pleegkinderen van
appellant worden aangemerkt, aangezien zij ten tijde in geding in Egypte
verbleven en appellant in Nederland, zodat van een daadwerkelijke rol in
de opvoeding van appellant geen sprake kan zijn.
De rechtbank heeft zich met dit standpunt van gedaagde verenigd. Ook de
Raad onderschrijft de overwegingen ten volle voor zover het gaat om de
vraag of de kinderen als eigen dan wel pleegkinderen van appellant
kunnen worden aangemerkt. Daarbij is met name van belang dat van een
door appellant gesteld tussen hem en [moeder] gesloten eerder huwelijk,
waaruit de kinderen geboren zouden zijn, geen enkel bewijs voorhanden
is. Voorts kan volgens vaste jurisprudentie een pleegouderschap van
appellant in de onderhavige omstandigheden niet worden aangenomen.
Wat betreft de eventuele status van aangehuwde kinderen merkt de Raad
het volgende op. Gedaagde heeft zich geen stellig oordeel gevormd over
de vraag of (in 1997) tussen appellant en [moeder] een geldig huwelijk
heeft bestaan, omdat immers duidelijk was dat de kinderen niet uit dat
pretense huwelijk waren geboren en er in ieder geval geen huwelijk
bestond op een voor dit geding relevante peildatum van enig kwartaal.
In de rechtspraak van deze Raad (CRvB 17 februari 1999, RSV 1999/155) is
aanvaard dat, in het geval het huwelijk tussen de verzekerde met
aangehuwde kinderen in de zin van artikel 7 AKW en de ouder van die
kinderen eindigt door het overlijden van laatstgenoemde, de status van
aangehuwde kinderen in de zin van de AKW niet verloren gaat. Kennelijk
(mede) naar aanleiding van deze jurisprudentie heeft gedaagde in zijn
beleidsregels vanaf 1999 de volgende regel opgenomen:
"In geval van ontbinding van het huwelijk (...) blijft een
aangehuwd kind, ongeacht de reden van ontbinding (...) de status van
aangehuwd kind behouden."
Hoewel dit standpunt niet rechtstreeks steunt op de wet of de
evenvermelde jurisprudentie, meent de Raad dat het bestreden besluit, in
zoverre dat wordt gedragen door de overweging dat de kinderen niet als
aangehuwde kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt, gegeven de
zojuist geciteerde beleidsregel niet voldoende draagkrachtig is
gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven.
Derhalve wordt het bestreden besluit vernietigd, evenals de aangevallen
uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.
Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 1.288,-. Tevens dient
gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht te vergoeden.
Beslist wordt dan als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede gedaagdes beslissing op
bezwaar van 11 maart 1998;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen
zijn besluit van 28 juli 1997;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.288,-;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant in deze procedure betaalde
griffierecht ad € 102,12 aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|