|
Uitspraak
00/2832
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 augustus 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1998 voor zijn in
Irak wonende kinderen.
Bij besluit van 26 maart 1999 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het
bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 12 april 2000 het beroep
tegen het besluit van 26 maart 1999 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn bij brief van 29 september 2000 nadere stukken
ingediend en gedaagde heeft bij brief van 2 november 2001 desgevraagd
nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juli
2002. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lucas,
voornoemd. Namens gedaagde is verschenen A. van der Weerd, werkzaam bij
de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de navolgende feiten.
Appellant is in 1991 uit Irak gevlucht en heeft tot 1995 in Saoedi-Arabië
verbleven. Op 12 juli 1995 is hij als uitgenodigd vluchteling in
Nederland gearriveerd, waarna hij op 25 augustus 1995 een verzoek om
gezinshereniging heeft ingediend, welk verzoek op 1 maart 1996 is
toegestaan. Vanwege het regime in Irak is het het gezin van appellant
eerst in 2000 gelukt naar Nederland te reizen. Bij zijn aanvraag om
kinderbijslag van 24 maart 1998 heeft appellant onder meer vermeld dat
zijn echtgenote gevangen was genomen en dat de kinderen bij hun
grootouders verbleven. Appellant heeft voorts meegedeeld de
onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen te hebben betaald via vrienden in
Jordanië. Bij zijn aanvraag heeft hij een aantal stukken gevoegd
waaruit blijkt dat hij geld heeft overgemaakt naar [naam vriend] in
Jordanië en voorts een verklaring van één van zijn kinderen van 18
juni 1996, waarin de ontvangst van US $ 1.800,-- van [kind I] wordt
bevestigd, één van 30 maart 1997 waarin de ontvangst van US $ 1.050,--
wordt bevestigd en één van 18 maart 1998 waarin de ontvangst van US $
1.225,-- van [kind II] wordt bevestigd. Voorts heeft appellant een
verklaring van zijn echtgenote van 28 november 1995 overgelegd, waarin
zij de ontvangst van US $ 1.050,-- van [kind I] bevestigt. Ook heeft
appellant overgelegd een verklaring van zijn vader van 20 mei 1998,
waarin deze de ontvangst van US $ 1.050,-- via het bureau [naam bureau
I] op 23 november 1995 bevestigt en een verklaring van 26 mei 1998 van
zijn vader waarin de ontvangst via het bureau [naam bureau II] van US $
1.800,-- op 11 juni 1996, US $ 1.050,-- op 22 maart 1997, US $ 1.050,--
op 25 april 1997 en US $ 1.225,-- op 17 maart 1998 wordt bevestigd.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de in Irak wonende kinderen ten
tijde hier van belang niet geacht kunnen worden tot het huishouden van
appellant te behoren en dat appellant niet op voor gedaagde eenvoudig te
controleren wijze heeft aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke
mate heeft onderhouden.
De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven.
Appellant heeft bestreden dat er sprake is geweest van een breuk in zijn
huishouden en in dat verband onder meer gewezen op het standpunt van de
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), wat impliceert dat die dienst
ervan uitgaat dat de gezinsband nooit verbroken is geweest.
Ook heeft appellant betoogd dat hij nagenoeg alle stappen, die het door
hem betaalde geld ten behoeve van zijn kinderen in Irak heeft afgelegd,
heeft aangetoond. Gezien de bijzondere situatie in Irak is hij van
oordeel dat op basis van de door hem overgelegde stukken genoegzaam kan
worden aangenomen dat er daadwerkelijk in voldoende mate is bijgedragen.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van de vraag of de kinderen ten tijde hier van belang geacht
kunnen worden tot het huishouden van appellant te behoren, wijst de Raad
allereerst op zijn vaste jurisprudentie, ingeleid door de uitspraak
gepubliceerd in RSV 1988/102. Uit die jurisprudentie volgt dat in de
situatie waarin een vluchteling onder achterlating van zijn gezin in het
land van herkomst naar Nederland komt met de intentie niet terug te
keren, een voorlopig blijvende breuk in diens huishouden moet worden
verondersteld aanwezig te zijn. Dit kan anders zijn indien de betrokkene
aantoont dat hij spoedig na zijn aankomst in Nederland de nodige, reële
kansen biedende, stappen tot gezinshereniging heeft ondernomen.
Nu appellant zijn gezin al in 1991 in Irak heeft achtergelaten en hij
daarna zonder zijn gezin tot in 1995 in Saoedi-Arabië heeft verbleven,
is de Raad van oordeel dat de hiervoor weergegeven jurisprudentie niet
op een situatie als die van appellant van toepassing is aangezien al
voor de vestiging in Nederland een breuk in zijn huishouden is ontstaan.
Dat betekent dat ten aanzien van de vraag of de kinderen tot het
huishouden van appellant behoorden, de feitelijke situatie bepalend is
en dat moet worden geconcludeerd dat die vraag ontkennend moet worden
beantwoord.
Het voorgaande betekent dat appellant, wil hij recht kunnen hebben op
kinderbijslag, op voor gedaagde eenvoudig controleerbare wijze dient aan
te tonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. In
een geval als het onderhavige hoeft dit niet op de gebruikelijke wijze
te geschieden, te weten door bewijs van overmaking per bank of
internationale postwissel, maar kan het onderhoud ook op andere wijze
worden aangetoond. Uit de jurisprudentie van de Raad, onder meer
blijkend uit de uitspraak die is gepubliceerd in RSV 1999/230, volgt dat
in een dergelijk geval mag worden verlangd dat de verschillende
onderdelen van het gevolgde traject, alsmede de aangegeven
chronologische volgorde, voldoende aannemelijk worden gemaakt. Gelet op
de door appellant gestelde wijze van betaling en de door hem overgelegde
stukken, is de Raad van oordeel dat niet aan het genoemde criterium is
voldaan. De Raad acht daarbij ook van belang dat eveneens uit zijn vaste
jurisprudentie volgt dat aan achteraf opgestelde verklaringen geen
betekenis toekomt in het kader van de hier aan de orde zijnde
problematiek.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit in
rechte kan standhouden. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. N.J.
Haverkamp en mr A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
september 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|