|
Uitspraak
00/1019
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 januari 1999 heeft gedaagde zich met een aantal door
appellant op 30 oktober 1998 ingeleverde bewijsstukken niet akkoord
verklaard.
Bij besluit van 23 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 12 januari 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en
het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling
van gedaagde in de proceskosten en bepaling dat gedaagde het
griffierecht vergoedt.
Appellant is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van
stukken.
Appellant heeft een stuk ingezonden.
Gedaagde heeft vragen van de Raad beantwoord, onder bijvoeging van
verdere stukken.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juli
2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.
van der Linden, advocaat te Almelo, als zijn raadsvrouw en E. Khodamorad
als tolk. Voor gedaagde is verschenen A. van der Weerd, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is in december 1993 naar Nederland gekomen, onder achterlating
van drie kinderen bij zijn moeder in Irak. Op 22 juli 1996 heeft
appellant een vergunning tot verblijf verkregen en vanaf 24 april 1997
verblijven ook zijn kinderen in Nederland.
Op 30 oktober 1998 heeft appellant een drietal verklaringen d.d. 10
september 1998 van de griffier van de rechtbank te Dohouk overgelegd,
waarin deze meedeelt dat in zijn aanwezigheid op respectievelijk 25
oktober 1994, 15 augustus 1995 en 12 oktober 1996 van appellant
afkomstige bedragen zijn overhandigd aan de verzorgster van de kinderen.
Vervolgens heeft gedaagde bij primair besluit, in stand gelaten bij het
bestreden besluit, vastgesteld dat deze verklaringen niet als toereikend
bewijs van onderhoud kunnen worden beschouwd.
De rechtbank heeft, met vernietiging van het bestreden besluit, het
bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, oordelende dat het
primaire besluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu daaruit geen rechtsgevolgen
voortvloeien. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat niet
gebleken is van een aanvraag van kinderbijslag en dat gedaagde slechts
een beslissing heeft willen geven over het accepteren van bepaalde
documenten als bewijsstuk.
In hoger beroep is gebleken dat gedaagde bij besluit van 22 oktober 1997
aan appellant kinderbijslag heeft toegekend met ingang van het vierde
kwartaal van 1996 voor twee kinderen en met ingang van het vierde
kwartaal van 1997 voor een derde kind, alsmede dat appellant op 28 april
1998 op een naar aanleiding van dit besluit gehouden hoorzitting geďnformeerd
heeft naar zijn recht op kinderbijslag over eerdere jaren. Dit verzoek
heeft gedaagde ter behandeling overgedragen aan de afdeling
kinderbijslag, die daarop bij brief van 19 mei 1998 informatie heeft
verstrekt over de eisen waaraan het bewijs van het geleverde onderhoud
over de jaren 1994, 1995 en 1996 zou moeten voldoen. In reactie daarop
heeft appellant de verklaringen overgelegd waar het bestreden besluit op
ziet.
De Raad oordeelt als volgt.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit
geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu daaruit geen
rechtsgevolg voortvloeit. In het besluit wordt immers niet over het
recht op kinderbijslag beslist, doch slechts een waardering van
overgelegde bewijsstukken gegeven.
De Raad wijst er wel op dat gedaagde ter zitting van de Raad heeft
meegedeeld er, gelet op de gang van zaken bij de behandeling van het
eerder vermelde verzoek van appellant, thans van uit te gaan dat
appellant een aanvraag om kinderbijslag over de jaren 1994, 1995 en 1996
heeft gedaan, hetgeen de Raad juist voorkomt, en dat gedaagde heeft
toegezegd zo spoedig mogelijk op deze aanvraag een besluit te nemen.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr A.B.J. van der
Ham en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 september
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|