|
Uitspraak
99/4589
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Portugal), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 maart 1997 heeft appellant over het vierde kwartaal
van 1996 en het eerste kwartaal van 1997 enkelvoudige kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan gedaagde toegekend voor
zijn zoon [naam zoon], geboren op [in] 1977.
Bij beslissing op bezwaar van 4 augustus 1997, het thans bestreden
besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 1997
ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 juli 1999 - onder meer
-
het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op
bezwaar dient te nemen, met veroordeling van appellant tot vergoeding
van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden. Bij brief van 19 oktober 1999 heeft
appellant het beroepschrift aangevuld.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van
14 februari 2001 een nadere toelichting gegeven.
Gedaagde heeft bij brief van 2 januari 2002 aan de Raad verzocht de hem
toegezonden correspondentie in de Portugese taal toe te zenden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 9 januari 2002, waar partijen - appellant met
kennisgeving - niet zijn verschenen.
De Raad heeft het onderzoek in deze zaak vervolgens heropend en aan
gedaagde alsnog de in hoger beroep toegezonden stukken in de Portugese
taal toegezonden.
Voorts heeft appellant nog vertalingen van enkele in de Portugese taal
overgelegde gedingstukken in het geding gebracht.
Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend uitspraak
te doen zonder nader onderzoek ter zitting.
II. MOTIVERING
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 maart 1997 heeft
appellant over het vierde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van
1997 enkelvoudige kinderbijslag aan gedaagde toegekend voor zijn zoon
[naam zoon], geboren [in] 1977, die toen onderwijs volgde aan de
Arce-escola profissional de [naam vestigingsplaats] in Portugal. Daarbij
is appellant ervan uitgegaan dat gedaagde toen maandelijks een bedrag
van 57.000 escudos bijdroeg aan het levensonderhoud van [naam zoon],
welk bedrag onvoldoende is om voor tweevoudige kinderbijslag in
aanmerking te kunnen komen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat op
grond van het Tijdelijk besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag
18-plussers van 21 september 1995, Stb. 452 (hierna: KB 452), voor
gedaagdes aanspraak op (enkel- of meervoudige) kinderbijslag niet
bepalend is de mate waarin hij heeft bijgedragen in het levensonderhoud
van [naam zoon], aangezien niet één van de in artikel 6 van KB 452
genoemde situaties aan de orde is. Daarbij heeft de rechtbank
vastgesteld dat [naam zoon] ten tijde hier van belang niet tot het
huishouden van gedaagde behoorde en evenmin tot het huishouden van een
ander en dat niet gezegd kan worden dat sprake is van een bijdrage van
een derde in het onderhoud van [naam zoon]. In dit geval is naar het
oordeel van de rechtbank de aanspraak op (enkel- of meervoudige)
kinderbijslag niet afhankelijk van de mate waarin bijgedragen wordt in
het onderhoud van [naam zoon], maar van andere aspecten waaronder met
name het inkomen van het kind.
In hoger beroep heeft gedaagde aangevoerd dat wel sprake is van een
bijdrage door een derde in het levensonderhoud van [naam zoon] en dat de
hoogte van die bijdrage niet van belang is.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in hoger beroep primair in geschil of gedaagdes zoon
[naam zoon] gedurende de in geschil zijnde kwartalen verkeerde in de
situatie, zoals omschreven in artikel 6, eerste lid, onder d, van KB
452, dat door een derde een bijdrage in diens onderhoud wordt geleverd.
Bij bevestigende beantwoording van deze vraag is op grond van dit
artikel de mate waarin gedaagde heeft bijgedragen in het onderhoud van
[naam zoon] bepalend voor zijn aanspraak op (enkel- of meervoudige)
kinderbijslag.
De Raad stelt vast dat uit de op 7 oktober 1996 door het hoofd van de
Arce-escola profissional de [naam vestigingsplaats] ondertekende
verklaring blijkt dat [naam zoon] van die school een beurs ontvangt van
30.000 escudos per maand en dat recht bestaat op gratis maaltijden. Met
appellant is de Raad van oordeel dat deze vergoeding als een bijdrage
van een derde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, van KB 452
aangemerkt moet worden.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat appellant terecht de mate
waarin gedaagde heeft bijgedragen in het levensonderhoud van [naam zoon]
bepalend heeft geacht voor zijn aanspraak op kinderbijslag. Appellant
heeft over de in geschil zijnde kwartalen enkelvoudige kinderbijslag aan
gedaagde toegekend voor [naam zoon]. Daarbij heeft appellant overwogen
dat de bijdrage van gedaagde in het onderhoud van [naam zoon] van 57.000
escudos per maand meer heeft bedragen dan de toen vereiste
onderhoudsbijdrage voor enkelvoudige kinderbijslag van ten minste f
740,- (hierna € 335,80) per kwartaal, maar minder heeft bedragen dan
de toen vereiste bijdrage voor tweevoudige kinderbijslag van ten minste f
1935,- (hierna: € 878,06) per kwartaal.
Door gedaagde zijn in beroep en in hoger beroep geen gegevens
aangedragen waaruit kan blijken dat hij gedurende de in geschil zijnde
kwartalen tot een hoger bedrag dan 57.000 escudos per maand heeft
bijgedragen in het onderhoud van [naam zoon]. De Raad is derhalve van
oordeel dat gedaagde niet heeft aangetoond dat hij gedurende die
kwartalen ten minste € 878,06 heeft bijgedragen in [naam zoon]'s
levensonderhoud, zodat appellant bij het in bezwaar gehandhaafde besluit
van 11 maart 1997 terecht enkelvoudige kinderbijslag aan gedaagde heeft
toegekend over het vierde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van
1997.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het
inleidend beroep alsnog ongegrond verklaard dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
11 september 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|