|
Uitspraak
01/2247
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 juni 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant over
het eerste en het tweede kwartaal van 1998 kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor zijn drie in Marokko
verblijvende kinderen. Bij besluit van 6 januari 1999 heeft gedaagde
geweigerd appellant over het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag voor
deze drie kinderen toe te kennen.
Bij beschikking op bezwaar van 27 juli 1999 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van
23 juni 1998 en 6 januari 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 27 februari 2001,
verzonden op 6 maart 2001, het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam, bij brief
van 13 april 2001 en op bij brief van 1 augustus 2001 ingediende gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 14 augustus 2002, waar appellant en gedaagde, beiden
met voorafgaand bericht van verhindering, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant die de Marokkaanse nationaliteit bezit, is woonachtig in
[woonplaats]. [In] 1980 is appellant in Marokko gehuwd met [vrouw 1]. [In] 1989 is appellant in Nederland gehuwd met [vrouw 2]. In 1993 heeft
appellant zijn huwelijk met mevrouw [vrouw 1] bij het bevolkingsregister
van [woonplaats] aangegeven. Uit het huwelijk van appellant met mevrouw
[vrouw 1] waren ten tijde in geding vijf kinderen geboren: [kind 1]
(1981), [kind 2] (1985), [kind 3] (1988), [kind 4] (1990) en [kind 5]
(1993). Ten tijde in geding woonden de kinderen [kind 3], [kind 4] en
[kind 5] bij mevrouw [vrouw 1] in Marokko. De kinderen [kind 1] en [kind
2] verblijven sedert oktober 1996 in Nederland.
In september 1993 heeft appellant kinderbijslag aangevraagd voor
genoemde vijf kinderen. Gedaagde heeft appellant over het derde kwartaal
1990 tot en met het derde kwartaal 1993 kinderbijslag voor deze kinderen
toegekend. Aansluitend is aan appellant tot en met het derde kwartaal
van 1995 kinderbijslag voor deze vijf kinderen betaald.
Vanaf januari 1995 zijn door de Nederlandse Ambassade te Rabat in
opdracht van gedaagde onderzoeken gedaan naar de feitelijke relatie
tussen appellant en mevrouw [vrouw 1]. In afwachting van het rapport van
deze onderzoeken is in november 1997 aan appellant bij wijze van
voorschot over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het vierde
kwartaal van 1997 kinderbijslag uitbetaald.
Op 27 januari 1998 heeft de Nederlandse Ambassade een eindrapport
uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat zich in periode van oktober 1994
tot oktober 1996 problemen hebben voorgedaan tussen appellant en mevrouw
[vrouw 1], in verband waarmee mevrouw [vrouw 1] meerdere malen met haar
kinderen de echtelijke woning heeft verlaten om bij haar vader te gaan
wonen. Voorts blijkt uit dit rapport dat mevrouw [vrouw 1] niet
gemachtigd was om geld op te nemen van de Marokkaanse bankrekening van
appellant en dat zij zelf geen bankrekening had.
Bij de in rubriek I genoemde besluiten van 23 juni 1998 en 6 januari
1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant over het eerste tot en met
het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag toe te kennen voor de drie in
Marokko verblijvende kinderen van appellant op de grond dat niet
ondubbelzinnig was gebleken dat sprake was van het vormen van een
huishouden en dat appellant niet had aangetoond dat hij deze drie
kinderen in die kwartalen in belangrijke mate had onderhouden.
In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift zijn namens
appellant nadere stukken overgelegd, te weten een schriftelijke
verklaring van 15 april 1999 van mevrouw [vrouw 1] waarin is vermeld dat
zij indertijd onder druk van haar vader heeft verklaard dat appellant
haar in oktober 1994 heeft verlaten en zijn gezin niet meer onderhoudt,
een geboorteaangifte van een op 16 april 1999 uit het huwelijk tussen
appellant en mevrouw [vrouw 1] geboren dochter, een bankafschrift van
een in januari 1998 op de naam van mevrouw [vrouw 1] geopende
bankrekening en een bankafschrift van 7 april 1999, waaruit zou blijken
dat appellant aan mevrouw [vrouw 1] machtiging heeft verleend om DH
20.000 op te nemen van zijn Marokkaanse bankrekening. Voorts heeft
appellant verklaard dat hij in persoon dan wel via vrienden die naar
Marokko reisden regelmatig contant geld en bijdragen in natura heeft
gegeven aan mevrouw [vrouw 1].
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde onder verwijzing naar de
rapporten van de door de Nederlandse Ambassade uitgevoerde onderzoeken,
in het bijzonder het op 27 januari 1998 door de Nederlandse Ambassade
uitgebrachte rapport, zijn in de besluiten van 23 juni 1998 en 6 januari
1999 neergelegde standpunten onverminderd gehandhaafd.
Namens appellant is in eerste aanleg aangevoerd dat ondubbelzinnig
vaststaat dat hij een huishouden vormt met zijn gezin in Marokko, zodat
de onderhoudseis op hem niet van toepassing is. Appellant meent dan ook
dat ten onrechte kinderbijslag is geweigerd wegens het niet aantoonbaar
voldoen aan de onderhoudseis.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en
daarbij onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad
overwogen dat niet ondubbelzinnig is gebleken dat sprake is van twee
huishoudens. Aan de geboorte van nog een baby in 1999 heeft de rechtbank
gezien de tegenstrijdige verklaringen van mevrouw [vrouw 1], het feit
dat zij tot twee keer toe de echtelijke woning heeft verlaten om bij
haar vader te gaan wonen en de omstandigheid dat appellant niet
aannemelijk heeft kunnen maken dat hij ten tijde van belang op
effectieve wijze heeft zorg gedragen voor het levensonderhoud van zijn
bij zijn echtgenote in Marokko wonende kinderen geen doorslaggevende
betekenis toegekend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant
onvoldoende heeft bijgedragen aan het onderhoud van de drie kinderen.
In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde
gronden gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
In geschil is of de weigering van gedaagde om appellant over het eerste
tot en met het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag toe te kennen in
rechte stand kan houden. Daarbij dient in de eerste plaats de vraag te
worden beantwoord of appellant, die in Nederland een huishouden heeft,
in het eerste tot en met het derde kwartaal van 1998 tevens een
huishouden vormde met mevrouw [vrouw 1].
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term
"huishouden" in artikel 7 van de AKW naar algemeen
spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de
feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Verder volgt uit de vaste
jurisprudentie van de Raad dat er in het algemeen van dient te worden
uitgegaan dat een verzekerde ingevolge de AKW niet meer dan één
huishouden heeft, doch is het niet uitgesloten te achten dat een
verzekerde meer dan één huishouden heeft. Dit kan slechts worden
aangenomen wanneer dit uit de omstandigheden van het geval
ondubbelzinnig blijkt. Daarbij is niet alleen van belang of de
betrokkene regelmatig bij zijn gezin verblijft en regelmatig daarmee
contact heeft, maar ook of hij in voldoende mate bijdraagt aan het
onderhoud van zijn kinderen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet ondubbelzinnig
vaststaat dat appellant naast zijn huishouden hier te lande een tweede
huishouden vormde met mevrouw [vrouw 1]. De Raad heeft daartoe overwogen
dat uit de gedingstukken blijkt dat mevrouw [vrouw 1] verschillende
tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar verhouding met
appellant en dat zij tot twee keer toe de echtelijke woning heeft
verlaten om bij haar vader te gaan wonen. Verder is niet gebleken dat
appellant gedurende de in geschil zijnde kwartalen regelmatig bij
mevrouw [vrouw 1] heeft verbleven. Weliswaar blijkt uit het paspoort van
appellant dat hij in mei 1998 in Marokko is geweest, maar voor de Raad
staat niet vast dat appellant toen bij mevrouw [vrouw 1] heeft
verbleven, nu vaststaat dat dit bezoek slechts een paar dagen duurde en
verband hield met het zoekraken van de cheque voor de kinderbijslag over
de periode vanaf het derde kwartaal 1995 tot en met derde kwartaal van
1997. Wel acht de Raad aannemelijk dat appellant medio 1998 mevrouw
[vrouw 1] heeft bezocht, nu in april 1999 een zesde kind is geboren,
maar de Raad acht dit enkele gegeven onvoldoende om van een huishouden
van appellant met mevrouw [vrouw 1] over de in geschil zijnde kwartalen
van 1998 te kunnen spreken. Het feit dat mevrouw [vrouw 1] af en toe
telefonisch contact zocht met appellant kan hier niet aan afdoen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat appellant in genoemde drie kwartalen
en de daaraan voorafgaande periode op effectieve wijze heeft
zorggedragen voor het levensonderhoud van zijn toen bij mevrouw [vrouw
1] in Marokko verblijvende kinderen.
Nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de drie in Marokko
verblijvende kinderen gedurende de in geschil zijnde kwartalen niet
behoorden tot het huishouden van appellant, dient vervolgens beoordeeld
te worden of appellant over die kwartalen heeft voldaan aan de bij en
krachtens de AKW gestelde voorwaarde dat hij voornoemde kinderen in
belangrijke mate, dat wil zeggen voor een bedrag van tenminste f 752,-
per kind per kwartaal, heeft onderhouden. Blijkens vaste rechtspraak van
de Raad dient een verzekerde desgevraagd op een voor het
uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel
van internationale postwissels of bankoverschrijvingen ten name van de
persoon die de kinderen verzorgt - aan te tonen dan wel aannemelijk te
maken dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kinderen heeft
voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet heeft voldaan
aan deze vereisten en onderschrijft hetgeen de rechtbank hieromtrent
heeft overwogen. In hoger beroep zijn namens appellant ook geen nadere
gegevens omtrent de onderhoudsbijdrage van appellant overlegd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft gedaagde terecht geweigerd
appellant over het eerste tot en met het derde kwartaal van 1998
kinderbijslag voor zijn drie in Marokko verblijvende kinderen toe te
kennen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, als voorzitter en mr. H.J. Simon
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18
september 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|