|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/1725 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 1999, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde vastgesteld dat appellant over het derde
kwartaal van 1998 tot en met het tweede kwartaal van 1999 geen recht
heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW),
omdat hij niet verzekerd is ingevolge die wet.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 januari 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij faxbericht van 25 mei 2001 heeft deze gemachtigde de gronden van het
hoger beroep ingediend.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11
september 2002, waar namens appellant is verschenen mr. G. Adang,
advocaat te Utrecht, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant is geboren in 1958 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij
heeft zich in 1989 hier te lande gevestigd. Op 10 december 1998 heeft
appellant bij de Korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland een
verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Gedaagde
heeft voorafgaand aan het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag aan
appellant uitbetaald.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat
hij over het derde kwartaal van 1998 tot en met het tweede kwartaal van
1999 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW, omdat hij
ingaande 1 juli 1998 niet (langer) als verzekerd ingevolge die wet
aangemerkt kan worden. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, tweede
lid, van de AKW, zoals dit artikel luidt sedert de invoering van de
zogenoemde Koppelingswet (Stb. 1998, 204) per 1 juli 1998. In dit
artikellid is bepaald dat niet verzekerd is de vreemdeling die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef
en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 1
juli 1998 niet verzekerd was ingevolge de nationale regelgeving. Het
beroep van appellant op het uit de koppelingswetgeving voortvloeiende
directe onderscheid naar nationaliteit, welk onderscheid ingevolge
artikel 3 van het Algemeen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Marokko (nader: NMV; Trb. 1972, 34) en artikel 8,
eerste lid, van het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb.
1976, 158) volgens hem is verboden, heeft de rechtbank onder verwijzing
naar haar uitspraak van 4 augustus 1999 (RSV Actueel, 1999 nr. 11) verworpen.
In hoger beroep is namens appellant het beroep op discriminatie naar
nationaliteit herhaald, thans met een beroep op artikel 14 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
fundamentele vrijheden (nader: EVRM; Trb. 1951, 154).
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het
bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de
Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, vanaf het derde kwartaal van 1998
tot en met (in ieder geval) het tweede kwartaal van 1999 niet (langer)
verzekerd was ingevolge de AKW, zodat hij over deze kwartalen geen recht
meer kon doen gelden op kinderbijslag. Appellant was immers geen
vreemdeling die op 1 juli 1998 in Nederland rechtmatig verblijf hield in
de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de toen geldende Vw en hij
kon ook niet op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164), respectievelijk
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), als verzekerd aangemerkt
worden.
In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de toepassing van de
Koppelingswet, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/188 en 216 en USZ
2001/183 en 186, heeft de Raad vastgesteld dat tegen de achtergrond van
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten (IVBPR; Trb. 1969, 99) het uitgangspunt van de
Koppelingswet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij hem
in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de
toepassing van de Koppelingswet op de categorie vreemdelingen genoemd in
onderdeel 3 van artikel 1b van de Vw. Een uitzondering is - voor zover
hier van belang - gemaakt voor degenen die voor 1 juli 1998 op reguliere
wijze hun verzekeringspositie krachtens de volksverzekeringen hebben
verworven en die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verbleven in de
zin van artikel 1b, onder 3, van de Vw. Voor hen geldt dat er
onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te beëindigen
dan eerst wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing
op het vóór 1 juli 1998 ingediende verzoek om toelating.
De Raad stelt vast dat appellant niet behoort tot de hiervoor omschreven
groep personen nu hij op 1 juli 1998 niet rechtmatig in Nederland
verbleef in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. De Raad
is derhalve van oordeel dat de weigering van kinderbijslag aan
appellant over het derde kwartaal van 1998 tot en met het tweede
kwartaal van 1999, op de grond dat appellant niet langer verzekerd was
ingevolge die wet, niet als strijdig met artikel 26 van het IVBPR kan
worden bestempeld. Het enkele gegeven dat appellant op 10 december 1998
een verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend
en dat hem bij beschikking van 6 maart 2002 met ingang van 23 november 1999 op grond van de zogenaamde
witte-illegalenregeling een
dergelijke vergunning is verleend kan niet tot een ander oordeel leiden.
De Raad merkt ten slotte nog op dat toetsing aan artikel 3 van het NMV
tot hetzelfde oordeel leidt, en dat zijn oordeel niet anders zou luiden
bij toepasselijkheid van artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1,
eerste lid, van het Eerste Protocol bij dat Verdrag.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|