|
Uitspraak
01/3720
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 juli 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
over het vierde kwartaal van 1994 kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen, omdat zij niet verzekerd is
ingevolge die wet.
Bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2000, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 april 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Vervolgens heeft de rechtbank Amsterdam bij brief van 4 september 2001
enige vragen van de Raad beantwoord.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 28 augustus 2002, waar partijen - gedaagde met
kennisgeving - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft bij faxbericht van 21 mei 2001 hoger beroep ingesteld
tegen de op 23 april 2001 verzonden uitspraak van de rechtbank. Dit
beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 21 mei 2001 en
vervolgens - na vertaling - bij brief van 5 juli 2001 aan de Raad
gezonden, waar het op 6 juli 2001 is ontvangen.
De Raad stelt vast dat het beroepschrift, gelet op de artikelen 6:7, 6:8
en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke artikelen in hoger
beroep van overeenkomstige toepassing zijn, niet tijdig bij de Raad is
ingediend. Het beroepschrift is wel tijdig bij een onbevoegd orgaan,
zijnde de rechtbank Amsterdam, ingediend. De Raad is van oordeel dat nu
de rechtbank de uitspraak van 18 april 2001, evenals de in die uitspraak
opgenomen rechtsmiddelen clausule, slechts in de Nederlandse taal aan
appellante heeft toegezonden welke taal appellante blijkens de
gedingstukken niet beheerst, een genoegzame grondslag aanwezig is voor
het oordeel dat de onbevoegdheid van de rechtbank voor appellante
onduidelijk kon zijn. Op grond van artikel 6:15, derde lid, onder c, van
de Awb, zoals dit artikel luidde ten tijde van het instellen van het
hoger beroep, is derhalve het tijdstip van indiening van het hoger
beroepschrift bij de rechtbank bepalend voor de vraag of het hoger
beroepschrift tijdig is ingediend. Dit betekent dat het door appellante
bij de rechtbank ingediende hoger beroepschrift als tijdig ingediend kan
worden beschouwd.
De rechtbank heeft het door appellante bij brief van 6 maart 2000
ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2000, welke
brief op 14 maart 2000 bij het kantoor Leiden van gedaagde is ontvangen,
vervolgens is doorgezonden aan de rechtbank en aldaar is ontvangen op 20
maart 2000, niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is
ingediend. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het
volgende overwogen, waarbij appellante als eiseres is aangeduid en
gedaagde als verweerder:
"Eiseres heeft omtrent de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij
het beroepschrift heeft geadresseerd aan de rechtbank, zodat haar niet
valt te verwijten dat het beroepschrift bij verweerder is bezorgd. De
rechtbank acht het echter slecht denkbaar het beroepschrift zich heeft
bevonden in een enveloppe geadresseerd aan de rechtbank, maar dat het
beroepschrift desondanks bij verweerder zou zijn bezorgd. Nu eiseres ook
niet heeft aangetoond dat zij de enveloppe van een juiste adressering
heeft voorzien houdt de rechtbank het ervoor dat eiseres op enveloppe
het adres van verweerder heeft vermeld. De daaruit voortvloeiende
vertraging komt dan ook voor het risico van eiseres. Voorts is hier geen
sprake van een situatie waarin als gevolg van de te trage afhandeling
door verweerder, het risico van een onjuiste adressering redelijkerwijs
niet meer voor rekening van eiseres mag komen. Gezien het voorgaande is
er dan ook geen verschoonbare reden voor de
termijnoverschrijding."
De Raad kan zich geheel met dit oordeel verenigen en maakt dat tot het
zijne. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft
aangevoerd merkt de Raad nog op dat de niet-ontvankelijkverklaring van
het beroep door de rechtbank niet het gevolg is van vertragingen bij de
post. Het beroepschrift is binnen de beroepstermijn verzonden op of
omstreeks 6 maart 2000 en vervolgens met inachtneming van artikel 6:9,
tweede lid, van de Awb nog tijdig op 14 maart 2000 ontvangen door
gedaagde, zijnde een onbevoegd orgaan voor het instellen van beroep, en
vervolgens doorgezonden naar het bevoegde orgaan, zijnde de rechtbank,
alwaar het niet tijdig is ontvangen. De Raad voegt hier nog aan toe dat
de indiening van het beroep bij het onbevoegde orgaan, gelet op artikel
6:15, derde lid, van de Awb zoals dat artikel toentertijd luidde, in dit
geval niet bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is
ingediend, nu gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven in het
bestreden besluit aan artikel 3:45 van de Awb en appellante ook in de
Turkse taal is geďnformeerd over de mogelijkheid tot het instellen van
beroep bij de rechtbank Amsterdam. Voorts is ook de Raad van oordeel dat
op grond van de door appellante genoemde omstandigheden niet gesproken
kan worden van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in
artikel 6:11 van de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
prof.mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|