|
Uitspraak
00/4461
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 29 september 1999 heeft appellant met ingang van 20 mei
1999 aan gedaagde vrijstelling verleend van de verzekeringsplicht
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Bij beslissing op bezwaar van 31 december 1999, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 9 augustus 2000 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 februari 2002 heeft appellant nog een vraag van de Raad
beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 september
2002, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt vanaf 12 december 1996 een uitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en vanaf 1 juni 1997 een
Duitse rente van de Landesversicherungsanstalt Westfalen.
Bij een ongedateerde brief, ingekomen bij de Ziekenfondsraad op 21 mei
1999, heeft appellant verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht
ingevolge de AOW, Anw en AKW (hierna: de volksverzekeringen) vanaf 5 mei
1998. De Ziekenfondsraad heeft dit verzoek vervolgens doorgezonden aan
gedaagde, waarna gedaagde bij het besluit van 29 september 1999 de gevraagde vrijstelling met ingang van 20 mei 1999
heeft verleend. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren van
appellant tegen de ingangsdatum van de verleende vrijstelling
(kennelijk) ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat op
grond van het beleid bij de toepassing van artikel 22, derde lid, van
het Koninklijk besluit van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746),
geen terugwerkende kracht wordt verleend aan een vrijstelling van de
verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen indien het niet tijdig
indienen van het verzoek om vrijstelling uitsluitend het gevolg is van
onbekendheid met de regelgeving. Verder heeft gedaagde overwogen dat het
appellant begin 1998, toen hij het aangiftebiljet van de Belastingdienst
ontving, duidelijk had kunnen zijn dat een verzoek om vrijstelling van
de verzekeringsplicht bij gedaagde ingediend moest worden. De rechtbank
heeft dit standpunt onderschreven.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd het onbillijk te vinden dat
veel Nederlanders onbekend zijn met wetten en andere regelgeving, maar
dat die onbekendheid niet als een onbillijkheid van overwegende aard als
bedoeld in artikel 22, derde lid, van KB 746 wordt aangemerkt. Appellant
heeft voorts aangegeven dat hij niet geheel onbekend was met de
vrijstellingsregeling maar dat hij niet wist waar hij een verzoek om
vrijstelling moest indienen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat
zijn bezwaarschrift ten onrechte zonder overleg of mondelinge
toelichting ongegrond is verklaard.
De Raad verstaat laatstgenoemde grief, mede gelet op hetgeen appellant
in eerste aanleg dienaangaande heeft aangevoerd maar waarop de rechtbank
in de aangevallen uitspraak niet heeft gereageerd, aldus dat appellant
van oordeel is dat gedaagde heeft verzuimd hem te horen voordat op het
bezwaarschrift is beslist. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is gedaagde gehouden de belanghebbende in de
gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens op een bezwaarschrift
te beslissen. Hiervan kan blijkens artikel 7:3 van de Awb slechts worden
afgezien in een beperkt aantal gevallen, onder meer wanneer het bezwaar
kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is. Zoals de Raad al eerder
heeft overwogen, onder meer in de uitspraken van 11 april 1995 en 29
juni 1995 (JB 1995/125 en JB 1995/180), dienen de
uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief te worden
gehanteerd, hetgeen betekent dat eerst van een kennelijk ongegrond
bezwaar gesproken kan worden wanneer uit het bezwaarschrift reeds
aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs
over die conclusie geen twijfel mogelijk is.
De Raad is van oordeel dat in dit geval aan die voorwaarden niet was
voldaan. Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat in het besluit van
29 september 1999 geen enkele motivering is gegeven voor gedaagdes
beslissing de vrijstelling niet met terugwerkende kracht te verlenen,
zodat het appellant niet duidelijk kon zijn welke gronden in dit kader
van belang zouden kunnen zijn. Voorts kan naar ΄s Raads oordeel niet
gezegd worden dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over het
antwoord op de vraag of terecht is aangenomen dat geen sprake was van
een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 22, derde
lid, van KB 746. Gedaagde had immers op geen enkele wijze onderzocht of
er wellicht sprake was van omstandigheden welke in zijn beleid relevant
zijn voor het aannemen van een onbillijkheid van overwegende aard. Dat
er aanleiding was voor althans enig nader onderzoek dienaangaande blijkt
reeds uit het feit dat gedaagde in de beroepsfase nog nadere
inlichtingen heeft ingewonnen bij de Belastingdienst.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, nu gedaagde in strijd
met artikel 7:2 van de Awb heeft afgezien van het horen van appellant in
de bezwaarfase. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de
ingangsdatum van de verleende vrijstelling ziet de Raad echter
aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te
bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
blijven.
Voorts is tussen partijen in geschil of gedaagde terecht heeft geweigerd
de aan appellant verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht voor
de volksverzekeringen te verlenen met ingang van een datum gelegen vσσr
20 mei 1999. Ingevolge artikel 22, tweede lid, van KB 746 gaat de
vrijstelling in op de datum van de aanvraag om vrijstelling, doch niet
eerder dan op het moment dat recht ontstaat op de buitenlandse uitkering
of de uitkering van een volkenrechtelijke organisatie. Het derde lid van
dit artikel bepaalt dat gedaagde de vrijstelling kan verlenen met ingang
van een datum die gelegen is ten hoogste drie jaar vσσr de datum van
de aanvraag indien toepassing van het tweede lid leidt tot
onbillijkheden van overwegende aard.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat niet is gebleken dat appellant
eerder dan middels zijn op 21 mei 1999 door de Ziekenfondsraad ontvangen
brief heeft verzocht om vrijstelling. Het feit dat appellant op de
aangifte inkomstenbelasting over 1997 een kruisje heeft ingevuld bij de
vraag "Als u in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering
van premie volksverzekeringen, kruis dan het hokje aan en licht dit toe
op een bijlage", zonder een bijlage bij te voegen, kan ook naar ΄s
Raads oordeel niet als een aanvraag om vrijstelling worden aangemerkt.
Deze vraag heeft immers geen betrekking op het verlenen van
vrijstelling. Voorts blijkt uit de toelichting bij het aangiftebiljet
waar informatie verkregen kan worden over het verlenen van een eventuele
vrijstelling.
Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde bij de toepassing van de
vrijstellingsregeling onder meer als beleid voert dat geen terugwerkende
kracht wordt verleend van een vrijstelling, indien het niet eerder
aanvragen van de vrijstelling het gevolg is van onbekendheid of niet
volledige bekendheid met de regelgeving. De Raad acht dit onderdeel van
gedaagdes beleid, mede gelet op de wetsgeschiedenis van deze bepaling en
de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot de betekenis van
onbekendheid in soortgelijke situaties, aanvaardbaar.
Nu appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van niet volledige
bekendheid met de vrijstellingsregeling eerst in mei 1999 heeft verzocht
om vrijstelling, is de Raad van oordeel dat gedaagde op grond van het
hiervoor weergegeven beleid terecht heeft besloten de vrijstelling niet
met terugwerkende kracht te verlenen. Indien appellant inderdaad niet
wist waar hij een verzoek om vrijstelling moest indienen, had het op
zijn weg gelegen om de ter zake benodigde informatie eerder te
verzamelen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten
niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
blijven;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht in eerste
aanleg en in hoger beroep ad 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|