|
Uitspraak
00/5191
AKW
U I T S P R A A K
Beslissing inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet
bestuursrecht,
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens appellant heeft mr. H.J. van Smaalen, advocaat te Rotterdam, op
bij aanvullend beroepschrift van 1 februari 2001 aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam onder
dagtekening 28 augustus 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 12 april
2002 een aantal gedingstukken ingezonden en daarbij verzocht om
beperking van de kennisneming.
Bij brief van 28 augustus 2002 heeft gedaagde een nadere toelichting
gegeven op zijn verzoek.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting van de Raad op 30
augustus 2002 te worden gehoord met het oog op de vraag of beperking van
de kennisneming van enkele stukken als bedoeld in artikel 8:29 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gerecht-vaardigd is. Appellant is op
die zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr.
Van Smaalen, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door
drs. J.W.P.M. van Rooij en mr. A.N.P. Akkerman, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die
verplicht is stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen
zijn, het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat
uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van die stukken. Ingevolge
artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de rechtbank of de in het
eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet is artikel 8:29,
derde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger
beroep.
Ingevolge artikel 18, derde lid, van de Beroepswet kan tegen een
beslissing van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van
de Awb slechts tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de uitspraak in
de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.
Gedaagde heeft in eerste aanleg bij brief van 2 februari 1999 een aantal
stukken in het geding gebracht, onder mededeling dat uitsluitend de
rechtbank hiervan kennis zal mogen nemen. Het betreft onder meer
rapporten van in Pakistan uitgevoerde onderzoeken.
De rechtbank heeft in haar beslissing van 5 november 1999 beslist dat
beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Van
de zijde van appellant is deze beslissing in hoger beroep bestreden.
Gedaagde heeft in hoger beroep bij brief van 12 april 2002 de
gedingstukken waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat beperking van de
kennisneming gerechtvaardigd is, nogmaals ingezonden en daarbij verzocht
om beperking van de kennisneming ten aanzien van bepaalde, aangegeven,
onderdelen van die gedingstukken.
De Raad zal allereerst beoordelen of beperking van de kennisneming van
de desbetreffende gedeelten van bovengenoemde stukken als bedoeld in
artikel 8:29, eerste lid, van de Awb in hoger beroep gerechtvaardigd is.
Gedaagde heeft zich ter rechtvaardiging van zijn verzoek beroepen op het
belang van eerbiediging c.q. bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de rapporteurs, de bescherming van de geraadpleegde bronnen en
geheimhouding van de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken.
Daarbij heeft gedaagde zich beroepen op het Besluit van de Minister van
Buitenlandse zaken, houdende beleidsregels omtrent het verstrekken van
informatie over verificatieonderzoeken in India en Pakistan, Stcrt.
2002, nr. 134.
Onder meer in zijn uitspraak van 12 december 2001, gepubliceerd in USZ
2002/64, heeft de Raad het volgende overwogen:
"Gedaagdes stelling dat de bij het onderzoek betrokken personen,
gelet op de maatschappelijke situatie in Pakistan, waarop ook van de
zijde van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn uiteenzetting is
gewezen, gevaar kunnen lopen acht de Raad op zich beschouwd in haar
algemeenheid onvoldoende om reeds daarom zo'n belang aanwezig te achten.
Naar het oordeel van de Raad dient daarvoor door gedaagde voldoende
aannemelijk te worden gemaakt dat de mogelijkheid van gevaar in concreto
aanwezig is."
Naar het oordeel van de Raad dient in de onderhavige zaak geen andere
toetsingsmaatstaf te worden aangelegd. Het eerdergenoemde Besluit van de
Minister van Buitenlandse Zaken maakt dat niet anders. Nog daargelaten
dat dit Besluit beleid betreft van de Minister van Buitenlandse Zaken
die geen partij in dit geding is, is de Raad van oordeel dat hetgeen in
de bijlage van het Besluit staat vermeld zodanig algemeen is
geformuleerd dat dit te weinig aanknopingspunten biedt voor het oordeel
dat de mogelijkheid van gevaar in de thans voorliggende zaak aanwezig
is. Ook acht de Raad van belang dat hetgeen in de bijlage van het
Besluit staat vermeld in wezen neerkomt op een (zij het uitgebreider
toegelichte) herhaling van hetgeen zijdens het Ministerie van
Buitenlandse Zaken reeds was meegedeeld in de brief van 11 september
2001, waarvan de Raad in het kader van eerdere procedures heeft kennis
genomen.
Gedaagde is er naar het oordeel van de Raad dan ook niet in geslaagd
aannemelijk te maken dat er in het onderhavige geval in concreto gevaar
aanwezig is, zodat geoordeeld moet worden dat er geen belang bestaat bij
bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen.
De Raad stelt vervolgens vast dat daar waar gedaagde de eerbiediging c.q.
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de rapporteurs als
rechtvaardiging voor zijn verzoek om beperking van de kennisneming
aanvoert, dit blijkens het ter zitting verhandelde gebaseerd is op de
gedachte dat de informatie waarop dit verzoek betrekking heeft wellicht
te herleiden is naar bepaalde personen, die als gevolg daarvan mogelijk
gevaar zouden lopen. Naar het oordeel van de Raad dient dit verzoek dan
ook niet anders te worden beoordeeld dan overeenkomstig hetgeen hiervoor
is overwogen met betrekking tot de bescherming van de bij het onderzoek
betrokken personen, zodat ook het belang bij de eerbieding c.q.
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de rapporteurs niet
aannemelijk is gemaakt.
Ten aanzien van het belang bij geheimhouding van de gebruikte
onderzoeksmethoden en -technieken heeft de Raad in de eerdergenoemde
uitspraak van 12 december 2001 overwogen dat de methode van onderzoek
voor de hand ligt. De Raad ziet geen aanleiding voor een ander oordeel
in deze zaak, zodat ook dit belang niet aannemelijk is gemaakt. In de
bijlage bij meergenoemd Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken
heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een ander
oordeel.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad beperking van de kennisneming van
de bij brief van 12 april 2002 ingezonden stukken in hoger beroep niet
gerechtvaardigd acht. Dit betekent dat deze stukken alsnog aan het
dossier zullen worden toegevoegd en volledig aan appellant zullen worden
toegezonden.
Hieruit volgt tevens dat de Raad de beslissing van de rechtbank van 5
november 1999 niet onderschrijft.
Onder vermelding dat de behandeling van het hoger beroep zal worden
voortgezet door een andere kamer, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de bij brief van 12 april
2002 ingezonden gedingstukken niet gerechtvaardigd is.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober
2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|