|
Uitspraak
00/2367
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is F.C. van Veen, werkzaam bij VBM/NOV Vakbond voor
Defensiepersoneel, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in
hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder
dagtekening 16 maart 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 9 oktober 2001 heeft de gemachtigde van appellante
enkele vragen van de Raad beantwoord.
Bij schrijven van 2 november 2001 heeft gedaagde enkele vragen van de
Raad beantwoord en bij brief van 25 februari 2002 heeft gedaagde de Raad
nog enkele stukken doen toekomen.
Bij schrijven van 11 maart 2002 heeft de gemachtigde van appellante zijn
reactie op de door gedaagde toegezonden stukken doen toekomen.
Bij brieven van 24 april 2002 heeft de Raad aan partijen medegedeeld dat
het hoger beroep is ingetrokken en dat namens appellante is verzocht om
een vergoeding in de proceskosten.
Bij schrijven van 26 april 2002 heeft de gemachtigde van appellante het
formulier proceskosten ingediend.
Bij brief van 30 mei 2002 heeft gedaagde een reactie op het namens
appellante ingediende verzoek om vergoeding van de proceskosten
ingezonden.
Desgevraagd hebben beide partijen toestemming gegeven de behandeling van
het geding ter zitting achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 4 juni 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat geen kinderbijslag wordt toegekend ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) vanaf 1 april 1998 omdat appellante ingaande die
datum niet langer als verzekerde ingevolge de AKW wordt aangemerkt.
Bij besluit van 27 januari 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het door appellante tegen het besluit van 4 juni 1998
ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 maart 2000 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat gedaagde binnen zes weken na dagtekening van
die uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in
die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat
gedaagde het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.
Namens appellante is in het beroepschrift naar voren gebracht dat de
rechtbank ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan zijn verzoek om
vergoeding van de wettelijke rente. Voorts is aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.
Naar het oordeel van gedaagde heeft de rechtbank terecht de eis tot
vergoeding van wettelijke rente niet gehonoreerd omdat in de onderhavige
zaak alleen de verzekeringspositie van appellante aan de orde was en het
recht op kinderbijslag alsnog diende te worden beoordeeld. Wat betreft
de proceskosten stelt gedaagde dat de gemachtigde van appellante
juridisch medewerker is bij de Vakbond voor Defensiepersoneel en in die
functie als gemachtigde van appellante optreedt. Van kosten is niet
gebleken nu de vakbondsleden voor de juridische werkzaamheden zoals door
deze gemachtigde zijn verricht geen rekening ontvangen.
Bij brief van 9 oktober 2001 heeft de gemachtigde van appellante op
vragen van de Raad geantwoord dat het lidmaatschap van de Vakbond voor
Defensiepersoneel al geruime tijd openstaat voor burgerpersoneel bij het
Ministerie van Defensie en dat voor het lidmaatschap van die vakbond een
maandelijkse contributie is verschuldigd welke contributie door
appellante ook altijd is voldaan.
Bij schrijven van 2 november 2001 heeft gedaagde de Raad (desgevraagd)
medegedeeld dat de verschuldigde kinderbijslag over het tweede en derde
kwartaal van 1998 op 28 mei 2000 aan appellante betaalbaar is gesteld.
Voorts heeft gedaagde bij besluit van 25 februari 2002 de verschuldigde
wettelijke rente aan appellante vergoed.
In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 11
maart 2002 de Raad bericht dat thans nog slechts het verzoek om een
proceskostenveroordeling in twee instanties in het geding is.
In de veronderstelling dat een situatie als bedoeld in artikel 8:75a van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de orde was heeft de Raad de
brief van 11 maart 2002 opgevat als een intrekking van het hoger beroep
en vervolgens partijen hieromtrent bericht. Thans is de Raad van oordeel
dat meergenoemde brief van 11 maart 2002 redelijkerwijs niet als
intrekking van het hoger beroep diende te worden opgevat nu immers het
geschil in hoger beroep betreffende de proceskostenveroordeling nog ter
beoordeling openstond. De Raad zal dan ook de door een administratieve
misslag verzonden intrekkingsbrieven als niet geschreven beschouwen.
De Raad stelt vast dat de omvang van het geding in hoger beroep thans
beperkt is tot de beslissing van de rechtbank om geen
proceskostenveroordeling uit te spreken. Hierbij is de vraag aan de orde
of de door de gemachtigde Van Veen aan appellante verleende
rechtsbijstand dient te worden aangemerkt als "beroepsmatig
verleende rechtsbijstand" als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
De Raad overweegt daartoe dat de gemachtigde als juridisch medewerker
werkzaam is bij de Vakbond voor Defensiepersoneel, dat voor het
lidmaatschap van die vakbond de leden - zoals ook appellante - een
maandelijkse contributie verschuldigd zijn en dat het verlenen van
rechtsbijstand mede tot de beroepsmatige taak van appellantes
gemachtigde behoort.
Gelet hierop acht de Raad de kosten van rechtsbijstand van appellante,
waar het hier gaat om door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand, voor ambtshalve toewijzing vatbaar in het geval daarom
in eerste aanleg niet zou zijn verzocht.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor
zover deze betrekking heeft op de proceskosten voor vernietiging in
aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad het
geraden om met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet te doen
hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Gedaagde dient alsnog te
worden veroordeeld in de kosten van de aan appellante in eerste aanleg
verleende rechtsbijstand, en wel tot een bedrag groot € 644,--. Met
betrekking tot de door appellantes gemachtigde opgevoerde reiskosten in
eerste aanleg merkt de Raad op dat reiskosten voor een gemachtigde zijn
inbegrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand en mitsdien niet voor
afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen.
De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellante in hoger
beroep gemaakte kosten van verleende rechtsbijstand ad € 322,--.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht dient
te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar in hoger beroep
gestorte griffierecht van € 77,14 (voorheen f 170,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|