|
Uitspraak
01/2385
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde over het vierde kwartaal
van 1999 aan appellant aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) ontzegd ten behoeve van zijn zoon [naam zoon]
geboren [in] 1983.
Bij beslissing op bezwaar van 10 april 2000, het thans bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 12 november
1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 maart 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift van 24 juli 2001 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25
september 2002, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. De Roy
van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich, zoals schriftelijk
aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant
ingestelde beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden
besluit op 10 april 2000 op de in artikel 3:41, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is bekend gemaakt,
zodat de beroepstermijn ingevolge artikel 6:8 in samenhang met artikel
3:41 van de Awb aanving op 11 april 2000 en, gelet op artikel 6:7 van de
Awb, eindigde op 22 mei 2000.
De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien de overschrijding van
de beroepstermijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb
verschoonbaar te achten.
In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank bestreden. Daartoe heeft
appellant doen aanvoeren dat de rechtbank er ten onrechte van is
uitgegaan dat gedaagde niet gehouden was de beschikking op bezwaar
behalve in het Nederlands ook in de Franse taal te laten uitgaan.
Daarbij heeft de gemachtigde er op gewezen dat gedaagde tot en met de
primaire beslissing met appellant steeds in de Franse taal heeft
gecorrespondeerd en artikel 2:6, tweede lid, van de Awb daartoe ook de
mogelijkheid biedt. Appellant stelt zich daarom op het standpunt dat de
beroepstermijn niet is gaan lopen op 11 april 2000, maar dat deze eerst
is aangevangen nadat gedaagde appellant op diens verzoek de Franse
vertaling van het bestreden besluit had doen toekomen. Daarbij beroept
appellant zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad - op
artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin volgens hem ligt
besloten dat een rechtzoekende moet kunnen kennisnemen van een uitspraak
voordat hij de rechter adieert. Ten slotte is van de zijde van appellant
betoogd dat, zo moet worden vastgehouden aan de datum 11 april 2000 als
aanvangsdatum van de beroepstermijn, de rechtbank de
termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten, nu gedaagde aan
appellants verzoek om een vertaling heeft voldaan en appellant na
ontvangst van die vertaling direct, namelijk binnen een week, actie
heeft ondernomen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 2:6, eerste lid, van de Awb luidt:
"Bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame
personen gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald."
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een andere taal worden
gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van
derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.
Naar het oordeel van de Raad kon en mocht gedaagde er, na ontvangst van
het - met bijstand van de Stichting Steunpunt Re-Migranten te Berkane
(Marokko) in de Nederlandse taal opgestelde - bezwaarschrift tegen het
primaire besluit van 12 november 1999 van uitgaan dat appellant gebruik
kon maken van de diensten van deze instantie, zodat er geen aanleiding
(meer) was de beschikking op bezwaar (tevens) in de Franse taal aan
appellant toe te zenden.
Dit houdt in dat de rechtbank terecht 11 april 2000 heeft aangemerkt als
aanvangsdatum van de beroepstermijn. Van strijd met artikel 6 EVRM is
naar het oordeel van de Raad geen sprake, nu appellant -anders dan het
geval was in 's Raads uitspraak van 6 februari 1998, gepubliceerd in AB
1998, 169- zich kon laten bijstaan door iemand die de Nederlandse taal
beheerste.
Evenmin is de Raad gebleken van feiten of omstandigheden op grond
waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in
verzuim is en dientengevolge niet-ontvankelijkverklaring van het beroep
met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege zou dienen te
blijven. Naar het oordeel van de Raad had appellant na ontvangst van de
beschikking op bezwaar eerder actie kunnen ondernemen door zich met een
verzoek om uitleg tot het Steunpunt Re-Migranten te wenden, zoals hij
ook na ontvangst van het primaire besluit heeft gedaan. Daarbij merkt de
Raad nog op dat gedaagde niet gehouden was een exemplaar van het
bestreden besluit aan voornoemd Steunpunt te sturen, nu het Steunpunt
niet als gemachtigde van appellant optrad.
Zo nodig had appellant na inzending van een voorlopig beroepschrift
binnen de beroepstermijn, de beroepsgronden op een later tijdstip in een
aanvullend beroepschrift aan de rechtbank kunnen doen toekomen en tevens
nadere stukken, zoals een verklaring van de directeur van de school
waarop zijn zoon onderwijs volgde, in het geding kunnen brengen. Door te
wachten tot hij de Franse vertaling van het bestreden besluit van
gedaagde had ontvangen, waarbij gedaagde hem er op had gewezen dat hij
binnen zes weken na 10 april 2000 beroep diende in te stellen, en
vervolgens eerst de schooldirecteur om een verklaring te vragen alvorens
het beroepschrift op te stellen, heeft appellant het risico genomen dat
de beroepstermijn zou worden overschreden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en prof. mr. F.J.L.
Pennings en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6
november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|