|
Uitspraak
01/198
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank (SVB), gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 maart 1997 heeft gedaagde aan appellante laten weten
dat zij vanaf het tweede kwartaal 1994 geen recht heeft op kinderbijslag
voor de kinderen [kind I], [kind II], [kind III] en [kind IV] en dat
over het tweede kwartaal van 1994 tot en met het eerste kwartaal van
1996 een bedrag van fl. 25.632,- (€ 11.631,29) aan teveel betaalde
kinderbijslag wordt teruggevorderd. Bijgevoegd is een voorstel
betrekking hebbende op de invordering via verrekening van de volgens
gedaagde teveel ontvangen kinderbijslag.
Bij besluit van 17 juli 1997 heeft gedaagde aan appellante een
beslissing doen toekomen betreffende de wijze van invordering, middels
verrekening, van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag.
Bij besluit van 4 maart 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen de besluiten van 19 maart en 17 juli 1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 28 maart 2000 het beroep
tegen het besluit van 4 maart 1998 gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en beslissingen gegeven inzake de proceskosten en het
griffierecht.
Bij besluit van 29 mei 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde appellantes bezwaar tegen de hiervoor genoemde besluiten
gegrond verklaard, bepaald dat appellante vanaf het tweede kwartaal 1994
geen recht heeft op kinderbijslag voor de genoemde kinderen, dat de
teveel uitbetaalde kinderbijslag ad fl. 16.006,- (€ 7263,21) wordt
teruggevorderd en dat genoemd bedrag wordt verrekend met de vanaf het
eerste kwartaal 1997 aan appellante toekomende kinderbijslag en vanaf
het tweede kwartaal 1998 met de helft van de toegekende kinderbijslag.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 8 december 2000 het
beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. I.A.M. Bomans, werkzaam bij Rechtshulp
Rotterdam, bij beroepschrift van 10 januari 2001 van die uitspraak in
hoger beroep gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven van 4 mei 2001
de gronden heeft aangegeven waarop het beroep rust.
Bij brief gedateerd 19 maart 2002 heeft mr. R. den Arend, eveneens
werkzaam bij Rechtshulp Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde van
appellante gesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt en nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 augustus 2002,
waar voor appellante is verschenen mr. Den Arend voornoemd en waar
namens gedaagde - met voorafgaand bericht- niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante, afkomstig uit Somalië, is in oktober 1992 als vluchtelinge
naar Nederland gekomen samen met haar vier eigen kinderen en vier
kinderen van haar zusters, te weten [kind I] (1981), [kind II] (1981),
[kind III] (1984) en [kind IV] (1986). Appellantes echtgenoot is in
februari 1992 naar Nederland gekomen. Aan appellante is de tijdelijke
voogdij over de genoemde kinderen toegekend.
Appellante heeft een aanvraag om toekenning van kinderbijslag voor deze
kinderen ingediend, gedagtekend 4 januari 1994. In dat kader is zij
bezocht door gedaagdes buitendienstmedewerker R. Arends. Uit diens
rapport van 29 maart 1994 blijkt dat appellante sedert een maand een
cursus Nederlands volgt. Door appellante is aangegeven dat alle kosten
voor de kinderen geheel voor haar rekening komen.
Vervolgens is aan appellante ingaande het tweede kwartaal 1994
kinderbijslag voor genoemde kinderen toegekend, als pleegkinderen van
appellante.
Blijkens een telefoonnotitie van gedaagde van 12 juni 1996 heeft
appellante aan een loketmedewerker gemeld dat zij sedert januari 1994
een pleeggeldvergoeding ontvangt. Zij heeft toen te kennen gegeven te
menen tegelijkertijd een pleeggeldvergoeding en kinderbijslag te kunnen
ontvangen. Na informatie over de toepasselijke regels heeft appellante
aangegeven de kinderbijslag ten behoeve van haar pleegkinderen te willen
beëindigen.
Appellante is daarop (opnieuw) bezocht door buitendienstmedewerker
Arends. Uit diens rapportage van 19 november 1996 komt naar voren dat
appellante zelf geen bijdrage levert aan het onderhoud van de
pleegkinderen. Door appellante wordt aangegeven dat bij het bezoek in
1994 niet is gevraagd of er een pleeggeldvergoeding werd betaald. De bij
het gesprek aanwezige voogdijmaatschappelijk werkster E. Hörömpö
wees tevens op de onbekendheid van appellante met de wet en op haar
taalproblemen. Bij haar aantreden als gezinsvoogd had Hörömpö haar
twijfels geuit omtrent de rechtmatigheid van de kinderbijslag.
Appellante is toen zelf direct naar gedaagde gestapt.
Blijkens een telefoonnotitie van 10 maart 1997 heeft appellante
doorgegeven dat zij per 30 augustus 1995 geen huishouden meer vormt met
haar ex-echtgenoot Hasan A. Mohamed.
Naar aanleiding van de in rubriek I genoemde besluiten van 19 maart en
17 juli 1997 heeft appellante, tijdens een baliebezoek, aangegeven het
niet eens te zijn met het voorgestelde verrekeningstermijnbedrag. Door
appellante zijn gegevens overgelegd met betrekking tot haar inkomsten en
uitgaven. In bezwaar zijn door appellante enkel de terugvordering en de
verrekeningsregeling bestreden.
Namens appellante is verder een verklaring overgelegd van de
voogdijmaatschappelijk werkster Hörömpö. Hörömpö verklaart dat
tijdens het hiervoor beschreven huisbezoek in 1996 de
buitendienstmedewerker Arends heeft toegegeven dat hij verzuimd had in
1994 te vragen naar inkomsten in verband met de vier pleegkinderen.
Gedaagde heeft de bevoegdheid tot terugvordering gestoeld op de grond
dat appellante tijdens het bezoek van de buitendienstambtenaar
informatie heeft verzwegen c.q. onjuiste informatie heeft verstrekt.
Bij uitspraak van 28 maart 2000 heeft de rechtbank Rotterdam deze
grondslag vernietigd. De rechtbank heeft gezien de hiervoor vermelde
feiten en omstandigheden, de verklaring van E.T. Hörömpö ter zitting
en het ambtsedig proces-verbaal van 9 februari 1998 van verhoor van
getuige R. Arends, opgemaakt door R. van Bree, sociaal rechercheur in
dienst van gedaagde, geconcludeerd dat gedaagde het onderzoek naar een
pleeggeldvergoeding niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft verricht.
Met name is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan
dat appellante op 29 maart 1994 informatie heeft verzwegen c.q. onjuiste
informatie heeft verstrekt. Hiermee is de grondslag aan de
terugvordering komen te ontvallen.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde onder meer de grondslag van de
terugvordering gewijzigd. Naar het oordeel van gedaagde had het
appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij geen aanspraak
had op kinderbijslag voor de pleegkinderen, indien zij zelf geen enkele
bijdrage leverde in hun kosten. Appellante is, voorafgaande aan het
besluit op bezwaar, niet door gedaagde in de gelegenheid gesteld te
worden gehoord.
In beroep is namens appellante als grief tegen het bestreden besluit
naar voren gebracht dat zij niet in de gelegenheid is gesteld te worden
gehoord. Opgemerkt wordt dat aan het besluit een nieuwe
terugvorderingsgrond ten gronde is gelegd, welke grond bij de vorige
beslissing op bezwaar geen onderwerp van horen is geweest. Als grief
wordt verder aangevoerd dat tot augustus 1995 de betaling van de
kinderbijslag plaatsvond aan haar toenmalige echtgenoot. Terugvordering
dient dan ook in zoverre van hem plaats te vinden. Verder wordt tegen
het bestreden besluit aangevoerd dat gedaagde door meer dan zes jaar na
de feitelijke betaalbaarstelling de grondslag van de
terugvorderingsbeschikking te wijzigen in strijd handelt met de eisen
die de beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen. Ook wordt
door appellante bestreden dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn
dat aan haar ten onrechte kinderbijslag werd betaald. In dat verband
wordt gewezen op de in de eerdere uitspraak van de rechtbank
vastgestelde onzorgvuldigheid van het onderzoek. Als grief wordt verder
aangevoerd dat, nu ten tijde hier in geding de terugvordering een
discretionaire bevoegdheid was, aan de terugvorderingsbeslissing een
belangenafweging ten grondslag diende te liggen. Uit niets blijkt dat
gedaagde tot enige afweging terzake van de uitoefening van de
terugvorderingsbevoegdheid is gekomen, aldus gedaagde. Tenslotte zijn
namens appellante nog grieven ingebracht tegen de (wijze van)
invordering.
Ter zitting van de rechtbank is namens appellante nog een beroep gedaan
op de zogenoemde 6-maandenjurisprudentie. Betoogd wordt dat het
onderzoek naar de pleeggeldvergoeding dermate onzorgvuldig is geweest,
dat de termijn van zes maanden, waarbinnen gedaagde actie had moeten
ondernemen, geacht moet zijn te zijn aangevangen op de datum van het
onderzoek, te weten 29 maart 1994. Een terugvordering over een tijdvak
langer dan zes maanden na deze datum moet in strijd worden geacht met
het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus appellantes gemachtigde.
Namens gedaagde is toen onder meer betoogd dat de onverschuldigdheid van
de betalingen appellante wel degelijk duidelijk had kunnen zijn, nu in
de voorlichtingsfolder vermeld staat in welke situaties en onder welke
voorwaarden recht op kinderbijslag bestaat.
Bij uitspraak van 8 december 2000 heeft de rechtbank Rotterdam, na
vaststelling dat de intrekking van de kinderbijslag tussen partijen niet
in geschil was, het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft gedaagde in essentie de eerder aangevoerde grieven
aangaande de terugvordering en de invordering herhaald.
De Raad zal allereerst ingaan op appellantes grief dat zij ten onrechte
in de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid is gesteld te worden
gehoord.
De Raad stelt voorop dat de hoorplicht neergelegd in artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat een belanghebbende in
beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bezwaren mondeling
naar voren te brengen. In een geval als het onderhavige, waarbij een
beslissing op bezwaar, waarbij de belanghebbende die gelegenheid reeds
is geboden, door de rechter in beroep wordt vernietigd, zal bij het
nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, gezien de hiervoor
weergegeven ratio van de hoorplicht, onder omstandigheden ook buiten de
gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mogen worden
afgezien. Dat zal met name het geval zijn indien in redelijkheid kan
worden verwacht, gezien de afwezigheid van nieuwe feiten of gegevens,
dat het opnieuw horen van de belanghebbende tot niet meer zal kunnen
leiden dan een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte
bezwaren.
In het onderhavige geval is de Raad van oordeel dat een dergelijke
situatie zich niet voordoet. De nieuwe beslissing op bezwaar steunt op
een door gedaagde niet eerder aan de besluitvorming ten gronde gelegde
grondslag. Appellante is terzake van deze nieuwe grondslag van het
besluit ('redelijkerwijs duidelijk zijn'), die aanleiding kan geven tot
geheel andere grieven dan de oorspronkelijke grondslag ('toedoen'), niet
eerder in de gelegenheid gesteld haar bezwaren mondeling naar voren te
brengen. In dat geval doet de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb zich
ten volle gelden.
De Raad concludeert dat gedaagde in strijd met artikel 7:2 van de Awb
appellante niet in de gelegenheid heeft gesteld haar bezwaren mondeling
toe te lichten. Daaruit volgt dat appellante met recht tegen het
bestreden besluit in beroep is gekomen en dat de rechtbank dit beroep
ten onrechte niet gegrond heeft geoordeeld.
Aangezien appellante in de loop van de procedure in eerste aanleg en
hoger beroep afdoende in de gelegenheid is gesteld haar grieven tegen
het bestreden besluit naar voren te brengen, zal de Raad, met het oog op
de proceseconomie, onderzoeken of er grond is de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit, na vernietiging, onder toepassing van artikel 8:72,
derde lid, van de Awb, in stand te laten.
Met de rechtbank, en op de door de rechtbank aangevoerde gronden, is de
Raad van oordeel dat de terugvordering rechtens mocht worden gebaseerd
op een nieuwe grondslag. De Raad wijst in dat verband op artikel 7:11,
eerste lid, van de Awb, waarin het (volledige) heroverwegingskarakter
van de bezwaarprocedure is neergelegd. Voorts is de Raad van oordeel dat
het aan appellante, nu zij zelf uit eigen middelen in het geheel niet
bijdroeg aan het onderhoud van de pleegkinderen, redelijkerwijs
duidelijk had moeten zijn, dat zij ten onrechte voor deze kinderen,
kinderbijslag ontving. De Raad merkt verder op dat gedaagde de
onverschuldigd betaalde kinderbijslag van appellante kon terugvorderen,
nu appellante de verzekerde is die de kinderbijslag heeft aangevraagd.
Aan het feit dat op het aanvraagformulier het gironummer van haar
echtgenoot is vermeld komt, blijkens het bepaalde in artikel 24 van de
AKW, voor gedaagdes bevoegdheid tot terugvordering van appellante geen
betekenis toe nu zij ten tijde van de aanvraag samenwoonden. Verder komt
naar het oordeel van de Raad de terugvordering niet in strijd met de
zogenoemde zesmaandenjurisprudentie, nu in redelijkheid niet kan worden
gezegd dat gedaagde vóór 12 juni 1996 had kunnen of moeten begrijpen
dat ten onrechte aan appellante kinderbijslag werd verleend.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde bevoegd was de
te veel betaalde kinderbijslag van appellante terug te vorderen. Ten
aanzien van de wijze waarop gedaagde van deze bevoegdheid gebruik heeft
gemaakt moet de Raad evenwel constateren dat noch uit de beslissing tot
terugvordering noch uit enig ander gedingstuk blijkt van enige afweging
van de bij die beslissing betrokken belangen. Door gedaagde is dit ook
niet ontkend, maar volgens gedaagde vindt die afweging plaats in het
kader van de invordering. De Raad stelt vast dat, nu de bevoegdheid tot
terugvordering ten tijde hier in geding een aan gedaagde toekomende
discretionaire bevoegdheid betrof, gedaagde, gezien het bepaalde in
artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, rechtens gehouden was aan een
beslissing terzake een kenbare afweging van belangen ten gronde te
leggen. Nu dat niet is gebeurd kan het bestreden besluit, ook wegens
strijd met genoemde bepaling, in rechte geen stand houden.
Daaruit volgt tevens dat de beslissing inzake de verrekening, bij
gebreke aan een rechtsgeldig terugvorderingsbesluit, rechtens geen stand
kan houden. Ten aanzien van de invorderingsbeslissing merkt de Raad ten
overvloede nog op dat niet blijkt dat deze is genomen conform het
terzake geldende wettelijke regime en de rechtspraak van de Raad in dat
verband. De Raad wijst hierbij op zijn uitspraak van 19 september 2001,
gepubliceerd in USZ 2001/273.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1288,- voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,-.
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van € 104,37
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|