|
Uitspraak
00/854
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 mei 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om
toekenning van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 1995 voor haar
kinderen [kind I] (1981) en [kind II] (1981), [kind III] (1986) en [kind
IV] (1988) afgewezen.
Bij besluit van 19 november 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 mei 1998
ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 januari 2000 het
beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. J.H.M. Nijhuis, advocaat te Rotterdam, bij
beroepschrift van 14 februari 2000 van die uitspraak in hoger beroep
gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven van 22 juni 2000 de gronden
heeft aangegeven waarop het beroep rust.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 4 september 2002, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante, die in 1992 vanuit Ghana naar Nederland is gekomen, heeft
bij formulier gedagtekend 17 augustus 1995, ingaande het derde kwartaal
1995 kinderbijslag aangevraagd voor de in rubriek I genoemde kinderen.
De kinderen, die verblijven in Ghana, worden daar verzorgd door een
zuster van appellante. Door appellante zijn geboorteakten overgelegd
gedateerd respectievelijk 1 augustus 1994 ([kind II], [kind I] en [kind
IV]) en 3 maart 1995 ([kind III]). De akten zijn gelegaliseerd door de
Nederlandse Ambasade te Accra, maar niet inhoudelijk geverifieerd. Uit
de akten komt naar voren dat [kind III] een andere vader heeft dan de
drie overige kinderen. De juistheid van deze vermelding is door
appellante tegenover gedaagdes baliemedewerker, blijkens een aantekening
op het aanvraagformulier, ontkend. Desgevraagd heeft appellante voor de
onjuistheid in de geboorteakte van [kind III] geen verklaring kunnen
geven.
Gezien deze verlate registratie en de onduidelijkheid met betrekking tot
de vader van [kind III] heeft gedaagde de gegevens in deze zaak
rechtstreeks laten verifiëren door de Nederlandse Ambassade te Accra.
Uit het desbetreffende ambtsbericht komt naar voren dat de kinderen niet
zijn geboren in het Korle Bu Hospital. Aangegeven wordt verder dat de
geboorteakten wel geregistreerd zijn bij de Ghanese burgerlijke stand.
Uit deze registratie kunnen evenwel geen conclusies worden getrokken ten
aanzien van de inhoudelijke juistheid van een akte. De 'Registrar' neemt
op het moment van de geboorteaangifte zonder verificatie en
identificatie de aan hem verstrekte informatie over. Uit het
ambtsbericht blijkt dat de 'Registrar' appellante verzoekt zich bij hem
te vervoegen indien zij zich te Ghana bevindt, in verband met de
onduidelijkheid betreffende de vader van [kind III].
Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende telefoonnotitie van
13 mei 1998 heeft gedaagde, naar aanleiding van een brief van
appellantes gemachtigde, deze gewezen op de mogelijkheid van het
overleggen van inhoudelijk gecontroleerde aktes.
Bij brief van 16 november 1998 heeft appellantes gemachtigde aan
gedaagde laten weten dat appellante niet in staat is om andere
geboorteakten over te leggen, dan die welke reeds zijn overgelegd.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aangegeven geen aanleiding te
zien om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht. Uit dit
ambtsbericht trekt gedaagde de conclusie dat de overgelegde
geboorteakten inhoudelijk als onjuist dienen te worden beschouwd. Naar
het oordeel van gedaagde kan, op grond van de op dat moment bekende
gegevens, niet worden vastgesteld dat de kinderen [kind I], Attaa,
Stephen en Abigail zijn aan te merken als de eigen kinderen van
appellante in de zin van de AKW. Op die grond wordt de afwijzing van de
aanvraag om kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 1995 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
In hoger beroep is namens appellante in de kern betoogd dat gedaagde
appellantes aanvraag om kinderbijslag niet had mogen afwijzen op basis
van het ambtsbericht van de Nederlandse ambassade te Accra. Gewezen
wordt op het tijdsverloop tussen de geboorte van de kinderen en het
ambtsbericht. Betoogd wordt verder dat voor de beoordeling van de
consequenties die het ambtsbericht moet hebben voor wat betreft de
waardering van de geboorteakten inzicht noodzakelijk is in de
vraagstelling van de Nederlandse ambassade en het antwoord van het
ziekenhuis, welk inzicht ontbreekt nu niet duidelijk is welke vraag
exact door de ambassade aan het ziekenhuis is gesteld. Geconcludeerd
wordt dat het ambtsbericht onvoldoende basis biedt om te oordelen dat
alle vier de geboorteakten onjuiste gegevens vermelden.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond
heeft verklaard.
De Raad stelt voorop dat gedaagde zich met recht, op de door hem
aangegeven gronden, bevoegd heeft geacht een onderzoek te doen instellen
naar de inhoudelijke juistheid van de door appellante overgelegde
geboorteakten.
Met betrekking tot het namens appellante in hoger beroep betoogde dat
gedaagdes besluitvorming in dezen niet voldoende zorgvuldig is geweest
merkt de Raad het volgende op.
De Raad wijst er op dat in een geval als het onderhavige, blijkens
artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het
primair aan appellante, als aanvrager van de beschikking, was de
gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de
aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kon
krijgen.
Nu gedaagde, naar het oordeel van de Raad, voldoende aannemelijk heeft
weten te maken dat de door appellante ingebrachte gegevens onvolledig
en/of onjuist zijn, bleef, overeenkomstig de hiervoor genoemde
hoofdregel, op appellante de last rusten de (inhoudelijke) juistheid
en/of volledigheid van de ingebrachte gegevens en bescheiden voldoende
aannemelijk te maken. Gedaagde heeft appellante vóór het nemen van het
bestreden besluit hiertoe ook de gelegenheid geboden, maar bij de
hiervoor genoemde brief van 16 november 1998 heeft appellantes
gemachtigde aan gedaagde laten weten hiertoe niet in staat te zijn.
De Raad oordeelt dat gedaagde met recht heeft geconcludeerd dat op grond
van door appellante overgelegde gegevens en bescheiden niet kan worden
vastgesteld dat de kinderen [kind I], Attaa, Stephen en Abigail, zijn
aan te merken als de eigen kinderen van appellante.
De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit
dan ook op goede gronden in stand gelaten. Het hoger beroep van appellante
is vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|