|
Uitspraak
00/2738
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 10 september 1997 heeft gedaagde vastgesteld dat
appellant over het derde kwartaal 1992 tot en met het tweede kwartaal
1997 geen recht heeft op kinderbijslag. Gedaagde heeft bij dit besluit
tevens de ten onrechte betaalde kinderbijslag ad fl. 81.649,- (€
37.050,70) teruggevorderd op de grond dat appellant onjuiste of géén
inlichtingen heeft verstrekt.
Bij besluit van 29 januari 1998 heeft gedaagde aan appellant een boete
opgelegd van fl. 1500,- (€ 680.67), omdat appellant niet binnen de
voorgeschreven termijn een wijziging in zijn situatie heeft doorgegeven.
Bij besluit van 16 september 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde appellants bezwaar tegen de besluiten van 10 september 1997 en
29 januari 1998 ongegrond verklaard. Daarenboven heeft gedaagde in dit
besluit een regeling getroffen inzake de invordering van de teveel
betaalde kinderbijslag.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 7 april 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit voor wat betreft de beslissingen neergelegd
in het besluit van 10 september 1997 ongegrond verklaard, gegrond
verklaard voor wat betreft de oplegging van de boete, niet-ontvankelijk
verklaard voor wat betreft de in het bestreden besluit opgenomen
invorderingsregeling, alsmede beslissingen gegeven inzake proceskosten
en griffierecht.
Namens appellant is mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam, bij
beroepschrift van 15 mei 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen,
zij het uitsluitend voor wat betreft de beslissing van gedaagde inzake
appellants recht op kinderbijslag. Bij brief van 18 september 2000 heeft
de gemachtigde de gronden aangegeven waarop het beroep rust.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 september 2002,
waar voor appellant is verschenen mr. Kaouass voornoemd en waar namens
gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Appellant, die woonachtig is in Marokko, is sinds 1979 in het genot van
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Ten tijde in geding verbleef appellant ook in Marokko. Appellant was
toentertijd verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) op grond
van artikel 8, eerste lid, van Koninklijk besluit uitbreiding en
beperking kring der verzekerden volksverzekeringen van 3 mei 1989, Stb.
164 (hierna: KB 164). In artikel 8, derde lid, onder d, van KB 164 is
bepaald dat de in artikel 8, eerste lid, van KB 164 geregelde
uitbreiding van de verzekering niet geldt indien betrokkene arbeid
buiten Nederland verricht.
Naar aanleiding van een anonieme brief, waarin werd gemeld dat appellant
'Président de la Commune' zou zijn in Ouislane Meknes, heeft gedaagde
ter plaatse een onderzoek doen instellen. Uit dat onderzoek is naar
voren gekomen dat gedaagde van 16 juni 1992 tot 13 juni 1997 genoemde
(gekozen) politieke functie heeft bekleed. Hij ontving daarvoor een
vergoeding van 1000 Dirham per maand. In deze functie bouwde appellant
geen recht op pensioen op en had hij ook geen recht op Marokkaanse
kinderbijslag.
Aan het bestreden besluit ligt, voorzover het betrekking heeft op de
vaststelling van appellants recht op kinderbijslag, de opvatting van
gedaagde ten grondslag dat de werkzaamheden die appellant heeft verricht
als 'President de la Commune' dienen te worden aangemerkt als het
verrichten van 'arbeid' als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder d,
van KB 164. Daaruit volgt dat appellant in de periode hier in geding
niet verzekerd was ingevolge de AKW. Gedaagde heeft verder aangevoerd
dat appellant op grond van de aan hem in november 1991 gestuurde mailing
wist welke wijzigingen hij aan gedaagde moest doorgeven. Het gaan
verrichten van werkzaamheden behoorde tot de soort wijzigingen die
moesten worden doorgegeven.
Ter zitting van de rechtbank is namens appellant verklaard dat hij in
zijn hoedanigheid van 'President de la Commune' vergaderingen voorzat,
bijna dagelijks aanwezig was en uit hoofde van zijn functie personen
ontving.
De rechtbank heeft het beroep, voor wat betreft de vaststelling door
gedaagde dat appellant in de in dit geding aan de orde zijnde periode
geen recht heeft op kinderbijslag, ongegrond verklaard. Naar het oordeel
van de rechtbank dienen de door appellant uitgeoefende activiteiten als
'President de la Commune' te worden aangemerkt als het verrichten van
'arbeid' in de zin van artikel 8, derde lid, van het KB 164, zodat
gedaagde met recht heeft geconcludeerd dat appellant, in de betreffende
periode, niet verzekerd was ingevolge de AKW.
Namens appellant is het hoger beroep expliciet tot dit aspect van het
bestreden besluit beperkt. Betoogd wordt dat de door appellant
uitgeoefende functie als voorzitter van de gemeenteraad niet kan worden
aangemerkt als het verrichten van 'arbeid' in genoemde zin. Naar het
oordeel van appellant kan de wetgever met genoemde bepaling niet bedoeld
hebben het verrichten op vrijwillige basis van politieke activiteiten.
Daarbij wordt opgemerkt dat appellant slechts een onkostenvergoeding
ontving, en dat het vervullen van de functie geen verzekering met zich
brengt ingevolge de sociale verzekeringswetgeving in Marokko. Betoogd
wordt verder dat voor de bepaling van de inhoud van het begrip 'arbeid'
in genoemde bepaling gekeken moet worden naar doel en strekking van KB
164. Dat brengt mee dat het begrip 'arbeid' zelfstandig dient te worden
uitgelegd en dat niet zonder meer kan worden aangesloten bij de uitleg
die aan dit begrip in andere wetgeving, zoals in artikel 22, derde lid,
van de Wet op de Inkomstenbelasting, wordt gegeven.
Namens appellant is verder betoogd dat hij niet door gedaagde ervan op
de hoogte is gesteld dat hij de door hem verrichte politieke
activiteiten aan gedaagde had moeten melden. In de mailing van november
1991 is, aldus de gemachtigde, slechts gesproken over 'werken in het
buitenland'.
Gedaagde heeft in de kern betoogd dat artikel 8, derde lid, van KB 164,
blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling, uitdrukking geeft aan de
internationaal aanvaarde regel dat van toepassing is de wetgeving van
het land waar men werkt. Bij het begrip 'werken' gaat het om het
economisch belang van de functie. Niet van belang is of de betrokkene is
gekozen voor de functie of is aangesteld. Dat de functie niet leidt tot
verzekering in het werkland kan niet tot gevolg hebben dat betrokkene
daardoor verzekerd blijft in Nederland. Van belang is slechts de
wetgeving die is aangewezen en niet de wijze waarop onder de wetgeving
verzekering tot stand komt, aldus gedaagde.
De Raad oordeelt als volgt.
Uit de nota van toelichting bij artikel 8 van KB 164 blijkt dat de
wetgever de bedoeling heeft gehad niet-ingezetenen die goeddeels voor
hun kosten van levensonderhoud aangewezen bleven op een Nederlandse
inkomensbron, te beschermen tegen de sociale risico's, welke door de
volksverzekeringen worden gedekt. Daarbij lag het, aldus de toelichting,
voor de hand minimumvoorwaarden te stellen. In dat verband is aangegeven
dat voor de betrokkene die in het buitenland arbeid verricht geen
Nederlandse verzekering behoeft te bestaan.
Blijkens de toelichting bij het derde lid van artikel 8 eindigt
ingevolge dit lid de verplichte verzekering in het buitenland indien in
het buitenland wordt gewerkt. Dit komt, aldus de toelichting, overeen
met de internationaal algemeen aanvaarde regel dat van toepassing is de
wetgeving van het land waar men werkt. Indien de arbeid wordt beëindigd,
herleeft de verzekering ingevolge de volksverzekeringen.
Op grond van deze wetsgeschiedenis concludeert de Raad, met gedaagde,
dat artikel 8, derde lid, van KB 164, waarin is geregeld dat de in
artikel 8, eerste lid, van dit KB neergelegde uitbreiding van de
verzekering niet geldt indien betrokkene arbeid buiten Nederland
verricht, moet worden gezien als een soort aanwijsregel. Verricht
betrokkene in het buitenland arbeid, dan vervalt de bijzondere
bescherming die artikel 8, eerste lid, van KB 164 hem toekent. Uit de
strekking van deze bepaling volgt dat in beginsel het enkele verrichten
van arbeid in het buitenland meebrengt dat de Nederlandse verzekering
eindigt. In het onderhavige geval ziet de Raad geen grond daar anders
over te denken.
De vraag is vervolgens of de door appellant ontplooide activiteiten als
het verrichten van 'arbeid' kunnen worden aangemerkt. De Raad
beantwoordt deze vraag met de rechtbank in bevestigende zin. Naar het
oordeel van de Raad heeft gedaagde voor de invulling van het begrip
'arbeid', zonder in strijd te komen met tekst of strekking van KB 164,
aansluiting kunnen zoeken bij het bepaalde in artikel 22, derde lid, van
de Wet op de Inkomstenbelasting. Daaraan staat naar de opvatting van de
Raad niet in de weg dat de activiteiten van appellant zijn verricht in
zijn hoedanigheid van gekozen politieke vertegenwoordiger. De Raad wijst
in dit verband op zijn uitspraak gepubliceerd in RSV 1995/196, waar het
ging om (een vergoeding voor) werkzaamheden als gemeenteraadslid.
Resteert de vraag of appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden,
zodat gedaagde met recht, met terugwerkende kracht, heeft vastgesteld
dat appellant over de hier in geding zijnde periode geen recht heeft op
kinderbijslag.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in november 1991 is
gewezen op zijn verplichting wijzigingen in de gezinssituatie, die van
invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag en de hoogte van de
uitkering, binnen veertien dagen aan gedaagde door te geven. Als
meldingsplichtige omstandigheid is daarbij expliciet genoemd het gaan
werken in het buitenland door de verzekerde. Vast staat dat gedaagde
zijn activiteiten als 'Président de la Commune' niet aan gedaagde heeft
gemeld. Appellants betoog dat hij niet kon bevroeden dat genoemde
werkzaamheden als het verrichten van 'arbeid' in de zin van artikel 8,
derde lid, van KB 164, dienden te worden beschouwd en dat hij derhalve
niet kon weten dat deze activiteiten meldingplichtig waren,
onderschrijft de Raad niet. De Raad wijst in dat verband op de, uit het
proces verbaal van de zitting in eerste aanleg, blijkende omvang en
kwaliteit van de werkzaamheden, alsmede op de voor deze werkzaamheden
door appellant ontvangen vergoeding. Nu appellants schending van zijn
meldingsplicht ertoe heeft geleid dat gedaagde ten onrechte heeft
vastgesteld dat appellant over het derde kwartaal van 1992 tot en met
het tweede kwartaal van 1997 recht heeft op kinderbijslag, heeft
gedaagde, zonder schending van het recht, bij het bestreden besluit met
terugwerkende kracht mogen vaststellen dat appellant dit recht niet
toekwam.
De Raad concludeert dat de rechtbank het beroep met betrekking tot de
aanspraak op kinderbijslag met recht ongegrond heeft verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|