|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/5365 AKW
U I T S P R A A K
Met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Rotterdam op 24 april 2001 tussen partijen gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van een
beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 20 december 2001 is appellante erop gewezen dat zij
een griffierecht van f 170,00 (€ 77,14) is verschuldigd, bij voorkeur
te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 3 januari 2002 is appellante nogmaals gewezen
op de verschuldigdheid van het griffierecht en is haar meegedeeld dat
het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief
dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van
Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop
gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Appellante heeft de Raad bij schrijven van 9 januari 2002 gewezen op het
feit dat zij geen inkomsten heeft en, gelet op haar financiële onmacht
om het verschuldigde griffierecht te voldoen, het heffen van
griffierecht haar recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel
6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden (EVRM) belemmert.
Bij aangetekend schrijven van 1 februari 2002 is aan appellante vanaf
die dag acht weken uitstel verleend voor het voldoen van het
griffierecht. Tevens is aan appellante verzocht om de in haar brief van
9 januari 2002 vermelde verklaring omtrent inkomen en onvermogen aan de
Raad te doen toekomen alsmede een eventuele beslissing op een verzoek om
bijzondere bijstand.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald en dat ook de
gevraagde verklaring omtrent inkomen en vermogen alsmede een eventuele
beslissing op een verzoek om bijzondere bijstand door appellante niet
zijn overgelegd. Bij schrijven van 29 mei 2002 heeft appellante de Raad
enkel een kopie van de eerste pagina van een op 8 februari 2002
gedateerde aanvraag voor bijzondere bijstand overgelegd.
Ten aanzien van het beroep van appellante op artikel 6 EVRM is de Raad
van oordeel dat dit beroep faalt. Volgens vaste rechtspraak van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens gaat het bij het uit deze
verdragsbepaling voortvloeiende recht op toegang tot de rechter niet om
een absoluut recht, doch komt aan de verdragsstaten een zekere
beleidsruimte toe tot het stellen van regels die voor dit recht zekere
beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter
niet in zijn kern wordt getroffen, de gestelde beperkingen een
rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Nu niet
is gebleken dat appellante om andere redenen dan de door haar gestelde
financiële onmacht niet is staat was het griffierecht tijdig te voldoen
en zij op een eventueel verzuim dienaangaande tijdig opmerkzaam is
gemaakt, is van een aantasting van het recht op toegang tot de rechter
geen sprake. De Raad acht het doel van het stellen van een termijn voor
het betalen van het griffierecht, namelijk het scheppen van
duidelijkheid over de betaling en het voorkomen van onnodige vertraging
in de procedure en onzekerheid voor belanghebbenden over de uitkomst van
de procedure, rechtmatig. Ook aan de evenredigheidseis is voldaan
doordat appellante, nadat het hier aan de orde zijnde verzuim was
geconstateerd, na een eerder reeds gegunde termijn, uiteindelijk nog een
termijn van acht weken is gegund om het verzuim te herstellen.
Nu op grond van de beschikbare gegevens - waaruit de door appellante
gestelde financiële onmacht op zichzelf niet blijkt - redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest,
acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder
verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is
aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van A.J.T.M.
Bruijnis-Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25
oktober 2002.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan
binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet
doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA, Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid
te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
|
|