|
Uitspraak
01/646
AKW en 01/4174 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 november 1999 heeft gedaagde aan appellante over het
eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1999 (alsnog)
aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
ontzegd voor haar zoon [naam zoon].
Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2000, hierna: besluit 1, is het
bezwaar tegen het besluit van 3 november 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 13 december 2000 het
tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met
inachtneming van die uitspraak. Voorts heeft de rechtbank gedaagde
veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het
griffierecht.
Namens appellante is mr. I.A.M. Bomans, advocaat te Rotterdam, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft gedaagde
tevens een nieuwe beslissing op bezwaar van 19 januari 2001, hierna:
besluit 2, in het geding gebracht. De Raad heeft besluit 2 op de voet
van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in
deze procedure.
Bij brief van 7 maart 2002 heeft de gemachtigde van appellante
medegedeeld dat zij zich terugtrekt en dat appellante de procedure zelf
zal voortzetten.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 11 oktober 2002, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft tot en met het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag aan
appellante toegekend voor haar zoon [naam zoon], geboren op 13 juni
1987. Daarbij is gedaagde er aanvankelijk vanuit gegaan dat [naam zoon]
behoorde tot het huishouden van appellante in [woonplaats]. Nadat in
1995 duidelijk was geworden dat [naam zoon] bij [naam oma] - zijn oma -
woonde is gedaagde, op grond van door appellante verstrekte gegevens,
ervan uitgegaan dat appellante [naam zoon] in belangrijke mate
onderhield. Door appellante is toen medegedeeld dat [naam zoon] sedert
september 1995 bij oma woonde en dat zij een bijdrage betaalde in het
levensonderhoud van [naam zoon]. Ten aanzien van de hoogte van die
bijdrage heeft appellante verschillende bedragen opgegeven variλrend
van f 450,- per maand en f 150,- per week tot f 250,- per week.
Nadat gedaagde in oktober 1998 van [naam oma] had vernomen dat
appellante voor een bedrag van ongeveer f 500,- per kwartaal bijdraagt
in het levensonderhoud van [naam zoon] heeft gedaagde een onderzoek
laten verrichten naar de werkelijke bijdragen van appellante ten behoeve
van [naam zoon]. Tijdens dat onderzoek heeft appellante medegedeeld dat
[naam zoon] reeds sedert 1992 uitwonend is bij zijn oma en dat alle
kosten voor [naam zoon] door haarzelf worden betaald. Verder heeft
appellante aangegeven dat deze kosten ongeveer f 500,- per kwartaal
bedragen en dat zij van haar bijstandsuitkering niet meer kan betalen.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 november 1999 heeft
gedaagde aan appellante - alsnog - het recht op kinderbijslag ontzegd over
het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1999.
Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellante niet heeft aangetoond
[naam zoon] gedurende die kwartalen in belangrijke mate te hebben
onderhouden. Tevens heeft gedaagde aan appellante medegedeeld het
voornemen te hebben de teveel betaalde kinderbijslag terug te vorderen
en een boete op te leggen omdat appellante niet heeft voldaan aan de
verplichting de wijziging in de gezinssituatie tijdig aan gedaagde te
melden.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet op eenvoudig te
controleren wijze heeft aangetoond [naam zoon] gedurende de in geschil
zijnde kwartalen te hebben onderhouden. Desondanks heeft de rechtbank
besluit 1 vernietigd, omdat gedaagde in strijd met de artikelen 3:46,
eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb niet kenbaar heeft
beoordeeld of wellicht sprake is van dringende redenen als, bedoeld in
artikel 14a, tweede lid, van de AKW, op grond waarvan ten aanzien van
een deel van de in geschil zijnde kwartalen af behoort te worden gezien
van intrekking of herziening.
Bij besluit 2 heeft gedaagde ten aanzien van de toepassing van artikel
14a van de AKW overwogen dat nu appellante bij herhaling niet de voor de
uitvoering van de AKW noodzakelijke juiste informatie heeft verstrekt er
geen dringende redenen zijn om van gehele of gedeeltelijke intrekking of
herziening van kinderbijslag af te zien.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde haar ten
onrechte met een terugwerkende kracht van meer dan drie jaar
confronteert met een bewijsverplichting ten aanzien van het geleverde
onderhoud. Appellante meent dat deze handelwijze van gedaagde in strijd
is met het vertrouwensbeginsel nu gedaagde door kinderbijslag toe te
kennen de indruk heeft gewekt dat de aanspraak op kinderbijslag correct
was.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt vast dat gedaagde bij besluit 2, met inachtneming van
hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, een
nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij is aangegeven op
welke gronden de weigering van kinderbijslag en de intrekking van de
kinderbijslag met terugwerkende kracht is gebaseerd. Dit betekent dat
gedaagde besluit 1 niet langer handhaaft, zodat dit besluit niet in
stand kan blijven, en dat de grieven inzake dat besluit bij de toetsing
van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Voorts stelt de
Raad vast dat niet is gebleken van enig belang voor appellante bij een
inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep betrekking hebbend op
besluit 1, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te
worden.
Voorts stelt de Raad voorop dat besluit 2 enerzijds een weigering van
kinderbijslag inhoudt ingaande het vierde kwartaal van 1998 en
anderzijds een intrekking van de reeds toegekende kinderbijslag over het
eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1998. Ten
aanzien van deze beide onderdelen van besluit 2 ziet de Raad zich
allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of gedaagde
terecht heeft besloten dat appellante over de in geschil zijnde
kwartalen geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam zoon]. Deze vraag
beantwoordt de Raad evenals de rechtbank bevestigend. Ingevolge artikel
7 van de AKW bestaat recht op (enkelvoudige) kinderbijslag voor een
uitwonend kind, jonger dan 16 jaar, dat door de verzekerde in
belangrijke mate wordt onderhouden. Aan laatstgenoemde voorwaarde wordt
voldaan wanneer de verzekerde per kwartaal ten minste een bijdrage
levert ter hoogte van een nader bepaald bedrag, welk bedrag in het
eerste kwartaal van 1996 f 728,- bedroeg en nadien enige keren is
gewijzigd tot f 756,- vanaf het vierde kwartaal van 1998. De door
appellante tijdens het buitendienst onderzoek van 23 november 1998
genoemde bijdrage per kwartaal voor [naam zoon] van f 500,- is derhalve onvoldoende om aanspraak te kunnen maken op
kinderbijslag. Voorts is door appellante niet aangetoond of aannemelijk
gemaakt, ook niet ten aanzien van de na dit onderzoek gelegen kwartalen,
dat zij hogere bedragen heeft betaald ten behoeve van het
levensonderhoud van [naam zoon]. Aan het feit dat appellante op de
onderhoudsverklaringen vanaf 1995 aanzienlijk hogere bedragen - tot
zelfs f 3250,- per kwartaal - heeft vermeld vermag de Raad geen
doorslaggevende betekenis toe te kennen, nu appellante tijdens het
buitendienstonderzoek gemotiveerd heeft aangegeven dat zij van haar
uitkering niet meer kan bijdragen dan ongeveer f 500,- per kwartaal.
Daarbij acht de Raad van belang dat laatstgenoemd bedrag overeenstemt
met het bedrag dat appellante volgens de verzorgster van [naam zoon]
bijdraagt in zijn levensonderhoud. Het hiervoor overwogene leidt tot de
slotsom dat gedaagde bij besluit 2 vanaf het vierde kwartaal van 1998
terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellante toe te kennen.
Ten aanzien van het tijdvak vanaf het eerste kwartaal van 1996 tot en
met het derde kwartaal van 1998 is gedaagde bij besluit 2 ten nadele van
appellante teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag. Gedaagde
heeft dit onderdeel van zijn besluit gebaseerd op artikel 14a, eerste
lid, van de AKW, waarin is bepaald dat gedaagde gehouden is een besluit
tot toekenning van kinderbijslag in te trekken of te herzien, indien
kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Voorts
is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat gedaagde kan besluiten
geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening of intrekking als
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad merkt ten aanzien van de toepassing van artikel 14a van de AKW
allereerst op dat dit artikel bij Wet van 25 april 1996 (Stb. 248) is
ingevoerd en ingaande 1 augustus 1996 in werking is getreden. Nu bij
deze wet niet is voorzien in een eerdere ingangsdatum is de Raad, anders
dan gedaagde, van oordeel dat artikel 14a van de AKW geen betrekking kan
hebben op het recht op kinderbijslag over voor 1 augustus 1996 gelegen
kwartalen, dus voor dit geding in ieder geval niet op het eerste en
tweede kwartaal van 1996. Ten aanzien van het derde kwartaal van 1996 is
de Raad van oordeel dat artikel 14a van de AKW wel van toepassing is op
de intrekking van het recht op kinderbijslag over dat kwartaal, nu dit
kwartaal grotendeels na 1 augustus 1996 is gelegen en de kinderbijslag
eerst na afloop van dat kwartaal aan appellante is betaald. Besluit 2
moet derhalve, voor zover betrekking hebbend op het eerste en tweede
kwartaal van 1996, aangemerkt worden als een besluit waarbij gedaagde
ten nadele van appellante is teruggekomen van de toekenning van
kinderbijslag waarop artikel 14a van de AKW niet van toepassing is.
Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde een beleid heeft ontwikkeld ten
aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene
met terugwerkende kracht, welk beleid evenzeer geldt voor beslissingen
ingevolge artikel 14a van de AKW, waarbij rekening wordt gehouden met
algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde
niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht
overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij
voorts niet heeft kunnen onderkennen dat het pensioen of de uitkering
ten onrechte werd verleend. De Raad is van oordeel dat deze
beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke
bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het
vertrouwensbeginsel.
De Raad is verder met gedaagde van oordeel dat appellante in ieder geval
vanaf het eerste kwartaal van 1996 niet al haar verplichtingen jegens
gedaagde is nagekomen door de wijziging in haar gezinssituatie in 1992,
toen [naam zoon] bij zijn oma ging wonen, niet aan gedaagde te melden en
door vanaf september 1995 aan gedaagde opgave te doen van bijdragen in
het levensonderhoud van [naam zoon] welke blijkens latere verklaringen
van haar en van de verzorgster van [naam zoon] niet overeenstemden met
de werkelijk geleverde bijdragen. Verder is de Raad, anders dan
appellante, van oordeel dat bij gedaagde niet eerder dan eind 1998
redelijke twijfel kon ontstaan over de vraag of appellante [naam zoon]
wel in belangrijke mate onderhield. Door de verzorgster was weliswaar in
1996 verklaard dat de bijdrage van appellante ongeveer f 700,- per
kwartaal bedroeg, doch nu dit bedrag de toen geldende minimale
onderhoudsbijdrage benaderde bestond er voor gedaagde op dat moment geen
noodzaak nader onderzoek te verrichten naar de hoogte van de door
appellante gestelde bijdrage.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde, met
inachtneming van zijn hiervoor weergegeven beleid ten aanzien van de
intrekking van uitkeringen met terugwerkende kracht, ook terecht heeft
besloten de aan appellante toegekende kinderbijslag over het eerste
kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1998 in te trekken.
Dit betekent dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard dient te
worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|