|
Uitspraak
00/1587
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 maart 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat zij met ingang van het vierde kwartaal van 1997 geen recht heeft op
tweevoudige kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
voor haar kinderen [kind 1] en [kind 2] Arikan.
Bij beslissing op bezwaar van 11 december 1998, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 9 maart 2000 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 20
september 2001 enige vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25
september 2002, waar namens appellante is verschenen mr. L.Th.D. Grob,
advocaat te Doetinchem, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is de moeder van [kind 1], geboren [in] 1984, en [kind 2],
geboren [in] 1987. Deze kinderen wonen sedert september 1995 bij hun
grootouders in Turkije en volgen daar onderwijs aan een privéschool.
Gedaagde heeft kennelijk vanaf het vierde kwartaal van 1995 tweevoudige
kinderbijslag aan appellante betaald voor [kind 1] en [kind 2], waarbij
gedaagde ervan is uitgegaan dat de kinderen in verband met het volgen
van onderwijs uitwonend zijn en dat appellante hen grotendeels
onderhield. Door appellante zijn in ieder geval met betrekking tot het
studiejaar 1996/1997 verklaringen inzake voortgezette studie voor beide
kinderen aan gedaagde gezonden.
Ook over het studiejaar 1997/1998 heeft appellante dergelijke
verklaringen aan gedaagde gezonden. In die verklaringen is aangegeven
dat [kind 1] en [kind 2] per week 22 lesuren volgen, welke ongeveer 40
minuten duren, en dat in het schooljaar op 180 dagen les wordt gegeven.
Na kennisneming van deze gegevens heeft gedaagde bij het besluit van 24
maart 1998 met ingang van het vierde kwartaal van 1997 slechts
enkelvoudige kinderbijslag aan appellante toegekend. Daarbij is
overwogen dat [kind 1] en [kind 2] niet als onderwijsvolgend aangemerkt
kunnen worden, nu zij gemiddeld minder dan 213 uur per kwartaal lessen
of stage volgen.
Appellante heeft vervolgens aangevoerd dat de kinderen veel meer uren
les volgen per jaar dan gedaagde heeft aangenomen. Ter ondersteuning van
die stelling heeft appellante aanvankelijk in bezwaar verklaringen
overgelegd waarin wordt aangegeven dat [kind 1] en [kind 2] 33 lesuren
per week van 40 minuten volgen, gedurende 36 weken per jaar. Nadat was
gebleken dat aldus niet werd voldaan aan de door gedaagde gehanteerde
voorwaarde van 213 lesuren per kwartaal, heeft appellante nieuwe
verklaringen overgelegd, waarin wordt aangegeven dat de kinderen 34
lesuren per week van 40 minuten volgen, gedurende 38 weken per jaar.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellante
ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat aannemelijk is
geworden dat de kinderen gedurende 36 onderwijsweken 33 lesuren per week
hebben gevolgd, hetgeen betekent dat gemiddeld minder dan 213 klokuren
per kwartaal onderwijs is gevolgd, zodat [kind 1] en [kind 2] niet als
onderwijsvolgend in de zin van de AKW aangemerkt kunnen worden. Gedaagde
is voorts van oordeel dat nu appellante niet met een meer plausibele en
met feiten onderbouwde verklaring heeft kunnen aantonen dat de kinderen
toen 34 lesuren gedurende 38 weken hebben gevolgd niet van die gegevens
uitgegaan kan worden. De rechtbank heeft dit oordeel onderschreven.
Naar aanleiding van vragen van de rechtbank en de Raad heeft gedaagde
medegedeeld dat de 213-klokureneis weliswaar niet in de AKW wordt
gesteld voor kinderen jonger dan 16 jaar, maar dat hij ervoor heeft
gekozen deze eis beleidsmatig te stellen bij de beoordeling of kinderen
jonger dan 16 jaar onderwijs volgen. De formalisering van dit beleid
heeft eerst plaatsgevonden in de Beleidsregels SVB van 1999, maar werd
daarvoor al toegepast zij het dat in het studiejaar 1996/1997 in veel
gevallen nog oude schoolverklaringen aan betrokkenen zijn gestuurd,
waarin niet naar het aantal onderwijsweken is gevraagd. Gedaagde heeft
voorts medegedeeld dat hij de groep rechthebbenden op tweevoudige
kinderbijslag voor kinderen jonger dan 16 jaar niet tevoren heeft geïnformeerd
over de hantering van de klokurenregeling.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 7, derde lid, onder a, i°, van de AKW wordt een eigen
kind dat jonger is dan 16 jaar, voor het vaststellen van het aantal
kinderen voor wie recht op kinderbijslag bestaat, voor twee kinderen
geteld, indien het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en
door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding
niet tot het huishouden van de verzekerde behoort. Tussen partijen is
niet in geschil dat [kind 1] en [kind 2] ten tijde hier van belang
jonger dan 16 jaar waren, dat appellante hen toen grotendeels onderhield
en dat zij niet tot het huishouden van appellante behoorden in verband
met het volgen van een schoolopleiding in Turkije. Het geschil spitst
zich derhalve toe op de vraag of [kind 1] en [kind 2] toen onderwijs of
een beroepsopleiding volgden als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder
a, i° van de AKW.
Gedaagde heeft aangevoerd dat hij vanaf enig moment na 1 oktober 1996
ervan uitgaat dat eerst sprake is van het volgen van onderwijs of een
beroepsopleiding als bedoeld in voornoemde bepaling, wanneer gedurende
ten minste 213 klokuren per kwartaal lessen of stages worden gevolgd.
Deze zogeheten klokureneis is sedert 1 oktober 1995 opgenomen in artikel
26 van de AKW, zoals dat toentertijd luidde, voor kinderen van 18 tot 25
jaar en vanaf 1 oktober 1996 in artikel 7, tweede lid, van de AKW voor
kinderen van 16 tot 18 jaar. In laatstgenoemde bepalingen is de
klokureneis in de plaats gekomen van de voordien geldende voorwaarde dat
de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag moet worden
genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een
beroepsopleiding. Aan deze voorwaarde werd toentertijd voldaan wanneer
het betreffende kind, uitgaande van een voor werkzaamheden beschikbare
tijd van 38 uur per week, meer dan 19 uur per week aan de studie
besteedde. Aan de in artikel 7, derde lid, onder a, i° van de AKW
gestelde voorwaarde van onderwijs of een beroepsopleiding volgen voor
kinderen jonger dan 16 jaar werd vóór 1 oktober 1996 in het algemeen
voldaan wanneer sprake was van het volgen van door de overheid erkend
onderwijs of van een opleiding welke met een bepaald examen werd
afgesloten.
Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen kan en zal de Raad in het midden
laten of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het
hanteren van het beleid dat ook ten aanzien van kinderen jonger dan 16
jaar eerst wordt aangenomen dat zij onderwijs of een beroepsopleiding
volgen wanneer zij ten minste 213 klokuren per kwartaal lessen of stages
volgen. Daarbij tekent de Raad aan dat deze klokureneis in de AKW is
opgenomen voor de specifieke groep kinderen van 16 jaar en ouder - die
niet dan wel slechts partieel leerplichtig zijn- waarbij is aangesloten
bij de in de Wet op de studiefinanciering en de Wet tegemoetkoming
studiekosten gehanteerde criteria dienaangaande, ten einde te voorkomen
dat voor studerenden vanaf 16 jaar, afhankelijk van de omvang van de
lesuren, verschillende financieringsbronnen zouden kunnen ontstaan. Voor
kinderen jonger dan 16 jaar zijn deze argumenten niet van belang. Voorts
wijst de Raad er in dit verband op dat de wetgever bij de hiervoor
genoemde wijzigingen van de AKW artikel 7, derde lid, onder a, i° van
de AKW niet eveneens heeft gewijzigd in de door gedaagde beoogde zin.
De Raad stelt vast dat gedaagde met ingang van 1 oktober 1996, dan wel
enig tijdstip nadien, de voorwaarden voor het aannemen van het volgen
van onderwijs of een beroepsopleiding voor kinderen jonger dan 16 jaar
aanzienlijk heeft gewijzigd in die zin dat niet langer bepalend is of
sprake is van erkend onderwijs of een opleiding welke met een bepaald
examen werd afgerond, maar dat de omvang van de per jaar gevolgde
lesuren (vier kwartalen van ten minste 213 uur) daarvoor bepalend is. De
Raad dient in dit verband primair de vraag te beantwoorden of
evenbedoelde strengere uitvoeringspraktijk, welke kennelijk eerst in
1999 geleid heeft tot een door gedaagde geformuleerd beleid, in het
onderhavige geval wel reeds gedurende de in geschil zijnde kwartalen kon
en mocht worden gevolgd. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder
meer in de uitspraak van 6 maart 2002 (USZ 02/139), brengt het
zorgvuldigheidsbeginsel met zich dat aan een wijziging van de
uitvoeringspraktijk als hier aan de orde, waarbij strengere criteria
worden geïntroduceerd jegens de betrokkenen, geen uitvoering mag worden
gegeven voordat die wijziging op een behoorlijke wijze aan hen kenbaar
is gemaakt en wel op een zodanig tijdstip dat zij redelijkerwijs hiermee
rekening hebben kunnen houden. Daarbij is de Raad van oordeel dat
bekendmaking in ieder geval voor de aanvang van het betreffende kwartaal
en in dit geval meer specifiek voor de aanvang van het betreffende
studiejaar dient plaats te vinden. Nu niet is gebleken dat gedaagde de
strengere uitvoeringspraktijk voor het studiejaar 1997/1998 (aan
appellante) heeft bekendgemaakt, is de Raad van oordeel dat voor de in
dit geding van belang zijnde kwartalen niet kan worden gesproken van een
behoorlijke bekendmaking in vorengenoemde zin.
Dit betekent dat gedaagde door de weigering van tweevoudige
kinderbijslag te baseren op nog niet op behoorlijke wijze kenbaar
gemaakte nadere voorwaarden - daargelaten wat daar verder van zij -, in
strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het bestreden
besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is
gelaten, dienen derhalve te worden vernietigd. Gedaagde dient een nieuwe
beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen. Gelet op het voorgaande kan en zal de Raad
hetgeen overigens namens appellante is aangevoerd onbesproken laten.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op €
322,- aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-
aan kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en
hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar in beroep en hoger
beroep betaalde griffierecht van € 102,12 (voorheen: f 225,-)
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, als voorzitter en prof. mr. F.J.L.
Pennings en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6
november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|