|
Uitspraak
00/5761
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde aan appellant de
aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
ontzegd ingaande het vierde kwartaal van 1995 voor zijn kinderen [kind
1] en [kind 2] en ingaande het vierde kwartaal van 1996 voor zijn kind
[kind 3]. Tevens heeft gedaagde de te veel betaalde kinderbijslag van in
totaal f 23.511,00 (€ 10.668,83) van appellant teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 13 januari 2000 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 19 februari
1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 15 september 2000 het
beroep ongegrond verklaard.
Appellant is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 18 oktober 2002, waar partijen - gedaagde met
kennisgeving - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Volgens de door appellant overgelegde schoolverklaringen studeerden zijn
zoon [kind 1] in het schooljaar 1995/1996 en zijn dochter [kind 2] in
het schooljaar 1995/1996 en 1996/1997 aan het Collège Ennajah te
[woonplaats]. Zijn zoon [kind 3] volgde in het schooljaar 1995/1996
onderwijs aan het Lycée Ziri Ben Attia in [woonplaats] en heeft in dat
jaar het Enseignement Fondamental afgerond. In het schooljaar 1996/1997
is [kind 3] aan hetzelfde lyceum begonnen met het Enseignement
Secondaire.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 februari 1999 heeft
gedaagde aan appellant de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de AKW
ontzegd ingaande het vierde kwartaal van 1995 voor zijn kinderen [kind
1] en [kind 2] omdat uit onderzoek is gebleken dat het Collège Ennajah
niet bestaat zodat zij niet als onderwijsvolgend kunnen worden
aangemerkt. Gedaagde heeft ingaande het vierde kwartaal van 1996 aan
appellant kinderbijslag voor zijn kind [kind 3] ontzegd. De wettelijke
grondslag voor deze ontzegging vindt zijn oorsprong in de wijziging van
de AKW per 1 oktober 1986, waarbij het recht op kinderbijslag voor
studerende kinderen vanaf 18 jaar in verband met de inwerkingtreding van
de Wet op de studiefinanciering is afgeschaft, echter met een
overgangsregeling krachtens welke het recht op kinderbijslag voor
dergelijke kinderen, mits geboren voor 1 oktober 1986, gehandhaafd
bleef. Bij de Wet van 21 december 1995, Stb 691, is deze
overgangsregeling met het oog op een versnelde afbouw in die zin
gewijzigd, dat - krachtens artikel XII van die wet - het recht op
kinderbijslag vervalt op het moment dat het kind ophoudt te studeren aan
de opleiding die het op de eerste dag van het vierde kwartaal van 1995
volgde. Gedaagde heeft in dit kader het standpunt ingenomen dat [kind 3]
ingaande het vierde kwartaal van 1996 een andere opleiding volgde dan op
1 oktober 1995. Om deze reden kan appellant, aldus gedaagde, voor [kind
3] geen aanspraak meer maken op kinderbijslag.
Voorts heeft gedaagde de te veel betaalde kinderbijslag van in totaal f
23.511,00 (€ 10.668,83) van appellant teruggevorderd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Appellant
heeft in hoger beroep (wederom) gesteld dat [kind 1] en [kind 2] in de
betreffende perioden wel onderwijs hebben gevolgd en dat het Collège
Ennajah waar zij naar toe gingen, later is gesloten omdat het geen
vergunning had.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat appellant de ontzegging van kinderbijslag
ingaande het vierde kwartaal van 1996 voor Abelmoughil niet heeft
aangevochten zodat ervan moet worden uitgegaan dat ingaande dit kwartaal
geen recht op kinderbijslag voor [kind 3] meer bestond.
De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht
heeft beslist dat appellant ingaande het vierde kwartaal van 1995 geen
recht op kinderbijslag meer had voor zijn kinderen [kind 1] en [kind 2]
omdat zij niet als onderwijsvolgend in de zin van de AKW konden worden
aangemerkt. Hierbij acht de Raad van belang dat de attaché voor sociale
zaken in Marokko na onderzoek ter plaatse heeft verklaard dat het Collège
Ennajah in [woonplaats] niet bestaat, het Marokkaans Ministerie van
Onderwijs dit heeft bevestigd en personeel van de E.F.T.I. (Ecole de
Formation des Techniques d'Informatique te [woonplaats]), waaraan [kind
2] in het jaar 1997/1998 is gaan studeren, heeft verklaard het Collège
Ennajah niet te kennen. Appellant heeft geen stukken overgelegd welke de
hiervoor genoemde verklaringen ontkrachten.
Gedaagde is bij het bestreden besluit ten nadele van appellant
teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1995 tot en met het derde kwartaal van 1997. Gedaagde heeft
dit onderdeel van zijn besluit gebaseerd op artikel 14a, eerste lid, van
de AKW, waarin is bepaald dat gedaagde gehouden is een besluit tot
toekenning van kinderbijslag in te trekken of te herzien, indien
kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Voorts
is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat gedaagde kan besluiten
geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening of intrekking als
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad merkt ten aanzien van de toepassing van artikel 14a van de AKW
allereerst op dat dit artikel bij Wet van 25 april 1996 (Stb. 248) is
ingevoerd en ingaande 1 augustus 1996 in werking is getreden. Nu bij
deze wet niet is voorzien in een eerdere ingangsdatum is de Raad, anders
dan gedaagde en de rechtbank, van oordeel dat artikel 14a van de AKW
geen betrekking kan hebben op vóór 1 augustus 1996 gelegen kwartalen,
dus voor dit geding in ieder geval niet op het vierde kwartaal van 1995
en het eerste en tweede kwartaal van 1996. Ten aanzien van de overige
kwartalen is de Raad van oordeel dat artikel 14a van de AKW wel van
toepassing is op de intrekking van de over die kwartalen betaalde
kinderbijslag. Het bestreden besluit moet derhalve, voorzover betrekking
hebbend op het vierde kwartaal van 1995 en het eerste en tweede kwartaal
van 1996, aangemerkt worden als een besluit waarbij gedaagde ten nadele
van appellant is teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag.
Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde een beleid heeft ontwikkeld ten
aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene
met terugwerkende kracht, welk beleid evenzeer geldt voor beslissingen
ingevolge artikel 14a van de AKW, waarbij rekening wordt gehouden met
algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde
niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht
overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij
voorts niet heeft kunnen onderkennen dat het pensioen of de uitkering
ten onrechte werd verleend. Zoals reeds eerder door de Raad is overwogen
is de Raad van oordeel dat deze beleidsregels niet in strijd komen met
enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel,
waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de
rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht heeft besloten tot
intrekking van de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1995 tot en
met het tweede kwartaal van 1996 voor [kind 1] en over het vierde
kwartaal van 1995 tot en met het derde kwartaal van 1997 voor [kind 2]
nu appellant niet al zijn verplichtingen jegens gedaagde is nagekomen
door aan gedaagde onjuiste informatie te verstrekken met betrekking tot
de opleiding van deze kinderen, terwijl, indien wel de juiste informatie
zou zijn verschaft, gedaagde niet tot toekenning van kinderbijslag voor
[kind 1] en [kind 2] in de betreffende kwartalen zou zijn overgegaan.
Ten aanzien van [kind 3] merkt de Raad allereerst op dat appellant in
een schoolverklaring over het jaar 1996/1997, die op 14 oktober 1996
door gedaagde is ontvangen, de vraag of [kind 3] dezelfde studie als
vorig jaar volgt, ontkennend heeft beantwoord. Gedaagde heeft in een
verweerschrift van 31 juli 2000 aangegeven dat op basis van deze
schoolverklaring het recht op kinderbijslag voor [kind 3] had moeten
worden herzien en dat dit is nagelaten. Gedaagde is echter van mening
dat appellant deze fout van gedaagde had kunnen onderkennen doordat de
rechtsgevolgen van de studiewijziging van [kind 3] bij appellant bekend
waren. Appellant is hieromtrent door gedaagde begin 1996 geïnformeerd
via een mailing en kan derhalve geen beroep doen op het
vertrouwensbeginsel, aldus gedaagde.
De Raad deelt het standpunt van gedaagde niet. Hierbij acht de Raad van
belang dat [kind 3] in het jaar 1996/1997 weliswaar is overgestapt van
het Enseignement Fondamental naar het Enseignement Secondaire, maar dat
deze overstap geen wijziging van school tot gevolg had. [kind 3] bleef
onderwijs volgen op het Lycée Ziri Ben Attia waardoor de Raad het niet
onaannemelijk acht dat het appellant niet duidelijk kon zijn dat voor
[kind 3] geen verder recht op kinderbijslag bestond. In ieder geval
voert het naar het oordeel van de Raad te ver om aan te nemen dat
appellant de fout van gedaagde had kunnen onderkennen. De mailing
waarover gedaagde rept kan hieraan niet afdoen, nu niet is gebleken dat
de specifieke situatie waarin [kind 3] verkeerde daarin wordt genoemd.
Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat gedaagde ten onrechte heeft
besloten tot intrekking van de kinderbijslag over het vierde kwartaal
van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 voor [kind 3]. Dit
betekent tevens dat de in het bestreden besluit vervatte terugvordering
van hetgeen over die periode aan kinderbijslag is betaald, de vereiste
grondslag ontbeert. De aangevallen uitspraak komt, voorzover betrekking
hebbend op deze punten, voor vernietiging in aanmerking.
Met betrekking tot de terugvordering van kinderbijslag voor [kind 1] en
[kind 2] overweegt de Raad dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de
terugvordering die betrekking heeft op de periode vóór 1 augustus 1996
en de periode vanaf 1 augustus 1996. Ingevolge het bepaalde in artikel 24 van de AKW, zoals
die bepaling luidde tot 1 augustus 1996, is gedaagde bevoegd
onverschuldigd betaalde kinderbijslag gedurende vijf jaren na de dag van
betaalbaarstelling terug te vorderen, indien door toedoen van degene die
ten onrechte aanspraak op kinderbijslag heeft gemaakt, onverschuldigd is
betaald. Vanaf 1 augustus 1996 dient gedaagde onverschuldigd betaalde
kinderbijslag terug te vorderen, waarvan alleen - geheel of gedeeltelijk
-
kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Naar het oordeel van de Raad kan niet anders worden geconcludeerd dan
dat door toedoen van appellant onverschuldigd kinderbijslag is betaald
door gedaagde. Appellant heeft aan gedaagde onjuiste informatie
verstrekt met betrekking tot de opleiding van de kinderen [kind 1] en
[kind 2]. Het voorgaande betekent dat gedaagde over het vierde kwartaal
van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1996 bevoegd was tot
terugvordering over te gaan. De Raad is niet gebleken van feiten en
omstandigheden die zouden nopen tot de conclusie dat de wijze waarop
gedaagde gebruik heeft gemaakt van de hem toekomende bevoegdheid, de aan
te leggen - terughoudende - toets niet kan doorstaan. Met betrekking tot
de terugvordering over het derde kwartaal van 1996 tot en met het derde
kwartaal van 1997 overweegt de Raad dat gedaagde gehouden is hetgeen
onverschuldigd is betaald terug te vorderen. De Raad is niet gebleken
van dringende redenen om op voet van artikel 24, vierde lid van de AKW
van deze terugvordering geheel of gedeeltelijk af te zien.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten
niet is gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op de
intrekking van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1996 tot en
met het derde kwartaal van 1997 voor [kind 3] en de terugvordering over
deze periode;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond en vernietigt
het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad € 104,37 aan appellant dient
te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|