|
Uitspraak
01/2693
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 juli 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld
dat er met ingang van het eerste kwartaal van 1993 geen recht bestaat op
kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn
uitwonende zoon [naam kind], geboren [in] 1987, nu appellant niet
voldaan heeft aan de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage. In dit
besluit heeft gedaagde tevens beslist dat er over het eerste kwartaal
van 1993 tot en met het eerste kwartaal van 1998 onverschuldigd
kinderbijslag is betaald en dat de onverschuldigd betaalde kinderbijslag
over het derde kwartaal van 1993 tot en met eerste kwartaal van 1998 ter
hoogte van f. 24.782,00 ( 11.245,63) van appellant wordt
teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 10 november 2000 zijn appellants bezwaren
tegen het besluit van 31 juli 1998 gedeeltelijk gegrond verklaard en is
nader beslist dat appellant over het eerste kwartaal van 1993 tot en met
het vierde kwartaal van 1996 recht heeft op enkelvoudige, en over het
eerste kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van 1998 op
tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van [naam kind]. De terugvordering
van onverschuldigd betaalde kinderbijslag wordt beperkt tot een bedrag
ter hoogte van f. 9.228,00 ( 4.187,50).
Bij nadere beslissing op bezwaar van 24 november 2000, het thans
bestreden besluit, heeft gedaagde ten aanzien van de bezwaren tegen het
besluit van 31 juli 1998 besloten deze bezwaren gedeeltelijk gegrond te
verklaren in zoverre dat er over het eerste kwartaal van 1993 tot en met
het vierde kwartaal van 1993 en over het eerste kwartaal van 1997 tot en
met eerste kwartaal van 1998 recht bestaat op tweevoudige, en over de
periode van het eerste kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal
van 1996 op enkelvoudige kinderbijslag ten behoeve van [naam kind].
Gedaagde heeft tevens beslist dat nu appellant de op hem rustende
inlichtingenplicht heeft overtreden, er door toedoen van appellant
onverschuldigd kinderbijslag is betaald ter hoogte van f. 8.056,00 (
3.655,67), welk bedrag van appellant wordt teruggevorderd.
De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 27 april 2001 appellants
beroep tegen de beslissing op bezwaar van 24 november 2000 ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift van 7 mei 2001, met bijlagen, aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van de behandeling van appellants verzoek om een
voorlopige voorziening ter zitting van 7 juni 2002 heeft gedaagde
desgevraagd bij brief van 27 juni 2002, met bijlagen, nadere informatie
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2002, waar
appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde - ambtshalve
opgeroepen - is verschenen mr. A.N. Popken, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken, de aangevallen uitspraak en het verhandelde ter
zitting leidt de Raad af dat appellants zoon [naam kind] vanwege een bij
hem bestaande handicap uitwonend is en dat de instelling waar [naam
kind] verblijft bijdraagt in de kosten van [naam kind] onderhoud. Om
voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen dient appellant op
voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze aan te tonen dat hij [naam
kind] grotendeels onderhoudt. In dit verband heeft appellant, met
betrekking tot de hier in geding zijnde jaren 1994, 1995 en 1996,
gedaagde door middel van een daartoe bestemd formulier jaarlijks een
geschatte opgave verstrekt van ten behoeve van [naam kind] te maken
kosten. Het betreft o.a. een opgave van kosten die appellant maakt als
[naam kind] thuis verblijft, als [naam kind] in de instelling wordt
opgezocht en een post overige kosten. Op basis van deze schatting van
kosten heeft gedaagde aan appellant steeds tweevoudige kinderbijslag
verstrekt. Slechts de schatting van kosten over 1994 is door een
buitendienstmedewerker van gedaagde met appellant besproken. Een bij
gedaagde in maart 1998 binnengekomen (anonieme) melding dat [naam kind]
zelden in de instelling werd bezocht en hij nooit werd opgehaald, heeft
tot het primaire besluit van 31 juli 1998 geleid. Vervolgens heeft
appellant in het kader van de bezwaarprocedure een nieuwe, lagere,
opgave verstrekt met betrekking tot gemaakte kosten van bezoeken aan
[naam kind] en van [naam kind] verblijf thuis over de jaren 1993 tot en
met 1998. Appellant heeft daarna een hernieuwde, veel hogere, opgave van
de overige kosten ten behoeve van [naam kind], gemaakt over de periode
van 1 januari 1993 tot en met 31 maart 1999, verstrekt. Gedaagde heeft
appellant in het bestreden besluit gevolgd in de gewijzigde opgave van
de kosten gemaakt in verband met bezoeken van en aan [naam kind]. Ten
aanzien van de overige kosten heeft gedaagde appellant gehouden aan zijn
eerdere, lagere, geschatte opgave.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit van 24
november 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat
gedaagde ten aanzien van de overige kosten over de jaren 1994, 1995 en
1996 terecht is uitgegaan van de eerste door appellant gedane schatting
van deze kosten in plaats van de latere - veel hogere - opgaven. De
rechtbank heeft hierbij o.a. in aanmerking genomen dat zowel de eerste
als de latere opgaven niet door bewijsstukken worden onderbouwd en dat
de beoordeling van zowel de eerste als de latere opgaven zeer moeilijk
en arbitrair zal blijven. Bovendien had het naar het oordeel van de
rechtbank voor de hand gelegen dat appellant zijn jaarlijkse opgave voor
wat betreft de overige kosten had aangepast aan de door hem gestelde
ervaringsgegevens van het voorgaande jaar. De terugvordering van zowel
voor als na 1 augustus 1996 onverschuldigd betaalde uitkering kan naar
het oordeel van de rechtbank in stand blijven.
In zijn hoger beroepschrift stelt appellant zich ten aanzien van de
jaren 1994, 1995 en 1996 op het standpunt dat zijn eerste opgave steeds
een voorlopige, en geen definitieve, opgave is geweest van kosten die
hij dacht in het desbetreffende jaar te gaan maken. Deze voorlopige
opgaven heeft appellant later gecorrigeerd, waarbij hij heeft aangeboden
deze te bewijzen door middel van het overleggen van bonnen en foto΄s.
Gedaagde stelt zich ten aanzien van appellants hernieuwde opgaven van de
overige kosten op het standpunt dat niet meer te controleren is welke
kosten daadwerkelijk ten behoeve van [naam kind] zijn gemaakt en of deze
kosten ook als onderhoudsbijdrage in de zin van de AKW kunnen worden
aangemerkt.
De Raad overweegt als volgt.
Ten eerste stelt de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte niet heeft
beslist op het door appellant ingestelde beroep tegen het niet tijdig
nemen van de beslissing op bezwaar en op appellants beroep tegen het,
door gedaagde niet langer gehandhaafde, besluit op bezwaar van 10
november 2000. In het licht van de vereiste proceseconomie zal de Raad,
nu appellant daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad, de zaak met
betrekking tot deze geschilpunten zelf afdoen. Tussen partijen is niet
in geschil dat terzake van het door appellant gemaakte bezwaar door
gedaagde, zonder dat daarvoor gronden zijn aangevoerd, de beslistermijn
is overschreden. Voorts staat vast dat gedaagde het besluit van 10
november 2000 niet handhaaft en dat appellant een belang heeft bij een
oordeel over dit besluit, gelet op zijn verzoek tot vergoeding van
schade. Nu de rechtbank het bij haar ingestelde beroep op deze punten
ten onrechte niet gegrond heeft verklaard, zal de Raad de aangevallen
uitspraak in zoverre vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren
te doen, het inleidend beroep op deze punten gegrond verklaren en het
besluit van 10 november 2000 vernietigen.
Voorts is tussen partijen in geschil of appellant over de jaren 1994,
1995 en 1996 recht heeft op tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van
zijn zoon [naam kind]. Er bestaat recht op tweevoudige kinderbijslag
indien appellant op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze
aantoont zijn zoon [naam kind] grotendeels te hebben onderhouden.
Concreet betekent dit dat appellant voor de jaren 1994 en 1995 f.
1.456,-, en voor het jaar 1996 f. 1.479,- per kwartaal dient bij te
dragen aan kosten van onderhoud ten behoeve van [naam kind]. Uit de
berekening zoals opgenomen in het bestreden besluit van 24 november 2000
en zoals door gedaagde gecorrigeerd in het verweerschrift van 3 april
2001, inhoudende dat appellant in het jaar 1994 f. 1.213,86, in het jaar
1995 f. 1.325,60 en in het jaar 1996 f. 1.372,31 gemiddeld per kwartaal
heeft bijgedragen in de kosten van onderhoud van [naam kind], leidt de
Raad af dat naar het oordeel van gedaagde voor een zeer groot deel aan
de onderhoudsplicht is voldaan.
De Raad stelt vast dat gedaagde met het thans bestreden besluit ten
nadele van appellant teruggekomen is van de toekenning van tweevoudige
kinderbijslag ten behoeve van appellants zoon [naam kind] over de jaren
1994, 1995 en 1996. Gedaagde heeft, blijkens de verklaring van zijn
gemachtigde ter zitting van de Raad, deze herziening van het recht op
uitkering van kinderbijslag in zijn geheel gebaseerd op artikel 14a van
de AKW. Nu dit artikel eerst met ingang van 1 augustus 1996 in de AKW is
opgenomen en uit de tekst van het artikel niet blijkt dat er
terugwerkende kracht aan dient te worden gegeven, is de Raad van oordeel
dat het bestreden besluit, in ieder geval voor wat betreft de intrekking
van het recht op tweevoudige kinderbijslag over de periode van het
eerste kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996, op een
onjuiste wettelijke grondslag berust. Uit vaste jurisprudentie van de
Raad ten aanzien van het intrekken van een reeds vastgesteld recht op
uitkering, blijkt dat een zodanige intrekking in het algemeen in strijd
wordt geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter
uitzonderingen denkbaar waarin van strijd met dat beginsel geen sprake
is. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het
toekennen of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het
gevolg was van een onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door
de betrokkene, terwijl een andere, minder gunstige, beslissing zou zijn
genomen indien de juiste feiten bekend zouden zijn geweest. De Raad
stelt vast dat gedaagde het recht op toekenning van tweevoudige
kinderbijslag over de jaren 1994, 1995 en 1996 gebaseerd heeft op een
door appellant gedane schatting van te maken kosten ten behoeve van
[naam kind]. Op geen enkele wijze heeft gedaagde na afloop van de
desbetreffende jaren gecontroleerd of appellant de bij wijze van
schatting opgegeven kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel
van de Raad heeft gedaagde door deze handelwijze het risico over zich
afgeroepen dat op een later moment niet exact meer is vast te stellen
welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. In het geval gedaagde
aanleiding ziet aan een (deel) van de schatting van de te maken kosten
te twijfelen en er zijnerzijds vervolgens voor dat deel niet meer
uitgegaan wordt van deze schatting maar van de daadwerkelijk gemaakte
kosten, ligt het naar het oordeel van de Raad voor de hand dat ook ten
aanzien van de overige geschatte kosten wordt bekeken in hoeverre de
daadwerkelijk gemaakte kosten daarvan afwijken. Naar het oordeel van de
Raad ligt het, nu het gaat om het ten nadele van appellant terugkomen
van een toekenning van het recht op kinderbijslag, op de weg van
gedaagde om hiernaar onderzoek te doen, waarbij naar het oordeel van de
Raad gedaagde de vraag dient te beantwoorden of het niet aannemelijk is
te achten dat appellant, gelet ook op het vrij geringe verschil tussen
het bedrag van de minimaal voor tweevoudige kinderbijslag vereiste
onderhoudsbijdrage en de bijdragen van appellant waar gedaagde van uit
is gegaan, voldaan heeft aan de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage om
voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen. De Raad stelt
vast dat gedaagde, ondanks dat appellant diverse keren bewijs van zijn
stellingen heeft aangeboden, dit onderzoek niet heeft verricht. De Raad
is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze
tot stand is gekomen en wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet
bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.
Aldus komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep ook in zoverre
doel treft en dat ook het besluit van 24 november 2000, alsmede de
aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking komen.
Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de
kant van appellant bestaande voorshands uit de wettelijke rente over de
opengevallen termijnen van uitkering. Uit het hiervoor overwogene blijkt
dat gedaagde over appellants aanspraak een nader besluit dient te nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke
schade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit
zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens
aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om
schade te vergoeden.
De Raad acht in verband met het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb
termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant
in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,-
voor in beroep verleende rechtsbijstand. Ten aanzien van appellants
verzoek om vergoeding van in hoger beroep gemaakte reiskosten op basis
van het vervoer per auto ter hoogte van 93,52, oordeelt de Raad dat
gelet op artikel 1, onder c, in verbinding met artikel 2, eerste lid
onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, reiskosten in
beginsel worden vergoed op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
laagste klasse. Nu niet gebleken is dat appellant geen gebruik kan maken
van het openbaar vervoer, worden deze kosten begroot op 30,18.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit
gegrond;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 10 en 24 november 2000
gegrond en vernietigt deze besluiten;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met
inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten in beroep voor beroepsmatig
verleende rechtsbijstand tot een bedrag groot 322,- en in hoger
beroep tot een bedrag groot 30,18 aan reiskosten;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van
104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|