|
Uitspraak
00/3545
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat
hij geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) voor de kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3],
[kind 4] en [kind 5], respectievelijk geboren [in] 1980, [in] 1982, [in] 1985, [in] 1988 en [in] 1991, over het vierde
kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1997, nu hij niet
heeft kunnen aantonen aan de minimale onderhoudsbijdrage te hebben
voldaan.
Bij beslissing op bezwaar van 21 januari 1998, het bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 1997 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 mei 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Boxtel, op bij
aanvullend beroepschrift van 13 september 2000 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 oktober
2002, waar appellant en zijn gemachtigde - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 15 september 1996 bij gedaagde kinderbijslag
aangevraagd voor de kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en
[kind 5], die in Marokko verblijven bij appellants ouders.
Bij primair besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde appellant in kennis
gesteld van de beslissing hem voor zijn vijf kinderen over de periode
van het vierde kwartaal 1995 tot en met het tweede kwartaal 1997 geen
kinderbijslag te verstrekken, omdat hij niet heeft kunnen aantonen hen
in belangrijke mate te hebben onderhouden.
Namens appellant is hiertegen bezwaar gemaakt. Appellant heeft gesteld
de kinderen wel degelijk in voldoende mate te hebben onderhouden, ter
adstructie waarvan hij een aantal bewijzen van betaling per cheque van
de Banque Populaire te Nador alsmede een verklaring van die bank waaruit
blijkt dat die cheques zijn geοnd door de verzorger van de kinderen en
bewijzen van storting van internationale postwissels heeft overgelegd.
Bij het bestreden besluit van 21 januari 1998 heeft gedaagde het bezwaar
ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als
verweerder is aangeduid, heeft de rechtbank - onder meer - het volgende
overwogen:
"De rechtbank is, gelet op de zich in het dossier bevindende
stukken, van oordeel dat door eiser onvoldoende is aangetoond, zoals
door de jurisprudentie vereist, dat door hem daadwerkelijk
onderhoudsbijdragen zijn betaald en dat de desbetreffende voor de
kinderen bestemde bedragen zijn opgenomen door diegene die de kinderen
verzorgt.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat eiser geen overschrijvingen
heeft verricht naar een bankrekening van de verzorger van het kind of
stortingen heeft gedaan per postwissel aan die verzorger doch dat de
verzorger middels cheques bedragen heeft opgenomen van de rekening van
eiser die hij aanhoudt bij de Banque Populaire.
In het onderhavige geval kan het, mede gelet op de hoogte van de
bedragen van in geding zijnde cheques gerelateerd aan eisers
maandinkomen, niet onredelijk worden geacht dat verweerder inzage vraagt
in de desbetreffende bankafschriften en eiser zowel naast het aantonen
van het opnemen van het geld door de verzorger, tevens dient aan te
tonen dat het geld voor het onderhoud daadwerkelijk telkenmale door hem
is overgemaakt.
Het overleggen van de door verweerder verlangde originele dagafschriften
behelst naar het oordeel van de rechtbank niet een voor eiser
onredelijke zware bewijslast, doch is veeleer te beschouwen als een
uitvloeisel van de algemene regel, dat degene die stelt een aanspraak te
hebben daartoe het bewijs moet aanvoeren. De rechtbank gaat voorbij aan
het schrijven van eisers gemachtigde van 15 januari 1998 dat eiser niet
meer over deze bankafschriften beschikt, nu eiser bij schrijven van 4
mei 1999 deze bankafschriften (deels) heeft ingezonden en ter zitting
heeft aangegeven dat hij over deze bankafschriften beschikt doch
verweerder daarin geen inzage wil geven.
Nu voldoende verifieerbare gegevens ontbreken met betrekking tot de mate
waarin bedragen zijn gestort respectievelijk opgenomen, voldoet een en
ander niet aan het criterium, dat onderhoudsbijdragen aan de verzorger
van de kinderen op betrekkelijk eenvoudige wijze aangetoond dan wel
aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden en kan niet, zonder dat is
vastgesteld dat eiser daadwerkelijk betalingen voor het onderhoud heeft
gedaan en deze zijn opgenomen door de verzorger van de kinderen, toch
tot de conclusie worden gekomen dat aan de onderhoudseis is
voldaan."
In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat hij voldoende
verifieerbare gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt, dat hij in
belangrijke mate in het onderhoud van zijn kinderen heeft voorzien.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst stelt de Raad vast dat de (toenmalige) gemachtigde van
appellant ter zitting van de rechtbank van 10 maart 1999 heeft erkend en
ter zitting van de rechtbank van 11 mei 2000 heeft bevestigd dat de
betalingen, die appellant in het vierde kwartaal 1995 en het eerste tot
en met het derde kwartaal 1996 heeft verricht, te weinig zijn om voor
kinderbijslag in aanmerking te komen. Het geding is derhalve beperkt tot
de weigering van kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal
1996 tot en met het tweede kwartaal 1997.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient een verzekerde
desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren
wijze - met name door middel van internationale postwissels of
bankoverschrijvingen ten name van de persoon die de kinderen verzorgt of
ten name van de kinderen zelf - aan te tonen dan wel aannemelijk te maken
dat hij voor zijn niet in Nederland wonende kinderen gedurende de in
geding zijnde kwartalen heeft voldaan aan de voor hem geldende
onderhoudsbijdrage.
Blijkens het bestreden besluit heeft gedaagde de weigering van
kinderbijslag over de in geding zijnde kwartalen gebaseerd op de
volgende motivering:
"Tussen 25 november 1996 en 4 maart 1997 zou u in totaliteit
omgerekend zo'n f 20.000,- aan cheque ter verzilvering aan uw vader hebben verstrekt.
Zeker gelet op uw maandinkomen staat de SVB uiterst kritisch tegenover
dit totaalbedrag. Daarnaast heeft u tijdens de hoorzitting over de
cheque van DH 40.000 verklaard dat dit DH 4.000 moest zijn, even later
verklaarde u echter weer dat de DH 40.000 juist was.
Om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van zogenaamd
"rondpompen" van gelden is er tijdens de hoorzitting met u
afgesproken, dat u de SVB in het bezit zou stellen van alle beschikbare
dagafschriften van uw bank over deze periode. Voor de SVB is het van
belang te weten op welke wijze uw banksaldo telkens wordt aangevuld.
U heeft ons echter geen enkel dagafschrift doen toekomen. Nu u de SVB
niet voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de door u
uitgeschreven cheques tussen 25 november 1996 en 4 maart 1997 stelt de
SVB zich op het standpunt dat deze niet bij de beoordeling kunnen worden
betrokken. Over de periode 4e kwartaal 1996 tot en met 2e kwartaal 1997
heeft u derhalve niet aan de belangrijke mate eis voldaan voor genoemde
kinderen."
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde voorts
twijfels geuit met betrekking tot de authenticiteit en betrouwbaarheid
van een aantal van de door appellant overgelegde betalingsbewijzen. Nu
deze argumenten door gedaagde in een zeer laat stadium naar voren zijn
gebracht en appellant niet in de gelegenheid is geweest daarop te
reageren, zal de Raad ze bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing
laten wegens strijd met de goede procesorde.
Uit de bewoordingen van het bestreden besluit, als hierboven
gedeeltelijk geciteerd, maakt de Raad op dat gedaagde op basis van de
door appellant overgelegde betalingsbewijzen heeft aangenomen dat
appellant in de periode van het vierde kwartaal 1996 tot en met het
tweede kwartaal 1997 aan de verzorger van zijn kinderen bedragen heeft
overgemaakt die toereikend zijn om te voldoen aan de voor hem geldende
onderhoudsbijdrage. Gedaagde heeft echter vraagtekens geplaatst bij de
herkomst van de overgemaakte bedragen en heeft, om er zeker van te zijn
dat er geen sprake is van het zogenaamd "rondpompen" van
gelden, van appellant verlangd dat hij alle beschikbare dagafschriften
van zijn bank overlegt, zodat gedaagde de banksaldi zou kunnen
controleren. Omdat appellant gedaagde geen enkel dagafschrift heeft doen
toekomen, heeft gedaagde de door appellant tussen 25 november 1996 en 4
maart 1997 uitgeschreven cheques niet bij de beoordeling betrokken.
De Raad stelt voorop dat betalingen via cheques, vergezeld van een
verklaring van de betreffende bankinstelling waaruit blijkt dat de
cheques zijn geοnd door de verzorger van de kinderen, in beginsel
voldoen aan de hiervoor weergegeven eisen van eenvoudige
controleerbaarheid. Bij dergelijke betalingen worden door gedaagde in
het algemeen geen aanvullende voorwaarden ten aanzien van het aantonen
ervan gesteld. In de omstandigheden van deze casus heeft de Raad ook
geen aanleiding gevonden om in dit geval een aanvullende voorwaarde voor
het recht op kinderbijslag, als door gedaagde gesteld, acceptabel te
achten. Daarbij acht de Raad van belang dat gedaagde op geen enkele
wijze heeft aangetoond dat er in dit geval aanleiding bestond
aanvullende voorwaarden te stellen.
Anders dan de rechtbank komt de Raad derhalve tot het oordeel dat
appellant voldaan heeft aan het criterium dat op betrekkelijk eenvoudige
wijze is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk
betalingen voor het onderhoud zijn verricht en dat deze zijn opgenomen
door de verzorger van de kinderen, zodat moet worden geconcludeerd dat
in de in geding zijnde kwartalen aan de onderhoudseis is voldaan.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagde bij het bestreden
besluit over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal
van 1997 ten onrechte de aanspraak op kinderbijslag voor [kind 1], [kind
2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] heeft ontzegd. Dit betekent dat het
bestreden besluit, voorzover betrekking hebbend op deze kwartalen, voor
vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak,
voorzover daarbij dit gedeelte van het bestreden besluit in stand is
gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant. Deze kosten worden begroot op 805,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad vast dat gedaagde
aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal 102,12 dient te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen
de onderdelen van het bestreden besluit die betrekking hebben op het
vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997,
ongegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep met betrekking tot deze kwartalen alsnog
gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag van 1.127,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van
102,12 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|