|
Uitspraak
00/3269
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 mei 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
ingaande het vierde kwartaal van 1998 kinderbijslag ingevolge de
Algemene kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van het kind
[naam kind].
Bij besluit van 11 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 12 mei 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.A. Bos, advocaat te Dordrecht, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober
2002, waar voor appellant is verschenen mr. Bos, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
[Naam kind] is het natuurlijk kind van [naam moeder], met wie appellant
een relatie heeft gehad. Ten tijde van de geboorte van [naam kind]
woonde [naam moeder] samen met [partner], die [naam kind] bij de
geboorte heeft erkend. Appellant stelt de natuurlijke vader te zijn van
[naam kind], maar hij heeft dit niet met bewijsmiddelen gestaafd.
Bij aanvraagformulier, gedagtekend 6 maart 1999, heeft appellant
kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van [naam kind] met ingang van het
vierde kwartaal van 1998. Aan de aanvraag is ten gronde gelegd dat [naam
kind] sinds september 1998 bij appellant woont en dat vanaf die datum
[naam moeder] niet meer aan [naam kind]'s onderhoud bijdraagt. Door
appellant is verder aangegeven dat [naam kind]'s moeder haar kind
gemiddeld twee maal per maand ziet.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam kind] niet kan worden
aangemerkt als een eigen kind van appellant. Verder is niet in geschil
dat appellant [naam kind] in de in dit geding relevante periode geheel
heeft onderhouden.
In het bestreden besluit heeft gedaagde overwogen dat door appellant
niet wordt voldaan aan de opvoedingseis gesteld in artikel 7, elfde lid,
van de AKW. Uit de verklaringen van appellant leidt gedaagde af dat
[naam kind] zich nog bevindt in de invloedssfeer van zijn moeder. Van
een exclusieve opvoedingsrelatie tussen appellant en [naam kind] is dan
ook geen sprake.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet
is gebleken dat [naam kind]'s moeder de feitelijke opvoedingstaak geheel
uit handen heeft gegeven, dan wel dat zij niet meer bevoegd of in staat
zou zijn belangrijke beslissingen ten aanzien van haar kind te nemen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat, ter zake van de in dit geding aan de orde
zijnde kwartalen, het juridische gezag over [naam kind] rustte bij diens
ouders. De Raad is evenwel van oordeel dat dit gegeven op zichzelf niet
uitsluit dat [naam kind] door appellant is onderhouden en opgevoed als
een eigen kind.
De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan
geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de
verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats
inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de
verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met
een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te
krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve
(opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind.
Naar het oordeel van de Raad kan, voor wat betreft de in dit geding aan
de orde zijnde periode, niet worden gezegd dat tussen appellant en [naam
kind] een nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld.
Daarvoor is in een geval als het onderhavige waarin het juridische gezag
niet rust bij de pleegouder zelf, in elk geval noodzakelijk dat de
verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en
bestendig karakter draagt.
In het onderhavige geval wordt kinderbijslag aangevraagd ingaande het
vierde kwartaal van 1998. [naam kind] is eerst in september 1998 bij
appellant komen wonen, terwijl appellant, naar uit de stukken blijkt,
voordien geen enkele bemoeienis heeft gehad met (de opvoeding van) [naam
kind]. Ter zitting van de Raad is overigens gebleken dat [naam kind]'s
opname in het gezin van appellant intussen is beλindigd. Appellants
gemachtigde heeft dienaangaande verklaard dat [naam kind] niet goed
paste binnen het nieuwe gezin van appellant.
De Raad concludeert dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven
duurzaamheids- en bestendigheidseis, zodat [naam kind] reeds op die
grond gedurende de in dit geding aan de orde zijnde periode niet kan
worden aangemerkt als een pleegkind van appellant als bedoeld in de AKW
en gedaagde met recht appellants aanvraag om kinderbijslag heeft
afgewezen.
Uit het voorafgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J. Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|