|
Uitspraak
00/3714
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
4 mei 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 november 2002 is namens appellant nog een stuk in het
geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 november 2002,
waar namens appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L. Boot,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant bezit de Portugese nationaliteit en woont sedert 1981 in
Nederland. De echtgenote van appellant heeft tot haar overlijden in
november 1987 samen met appellant en hun kinderen [kind I], geboren [in]
juni 1982 en [kind II], geboren [in] oktober 1986 ook in Nederland
gewoond. Deze kinderen zijn na het overlijden van de echtgenote van
appellant ondergebracht bij familie in Portugal. Appellant ontvangt een
Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Bij besluit van 26 november 1996 heeft gedaagde - onder meer - geweigerd
kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor [kind I] en [kind II]
over het eerste tot en met derde kwartaal van 1996, omdat hij deze
kinderen toen niet aantoonbaar in belangrijke mate heeft onderhouden.
Bij beslissing op bezwaar van 20 maart 1998 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de weigering van kinderbijslag over deze drie
kwartalen gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder meer - het
volgende overwogen, waarbij appellant als eiser en gedaagde als
verweerder is aangeduid:
"Eiser, die een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangt, is aan te merken als een rechthebbende in de zin van artikel
77, lid 1, van de Verordening. Ingevolge het bepaalde in artikel 77, lid
2, aanhef en sub a, van de Verordening dient het recht op kinderbijslag
voor kinderen te worden beoordeeld volgens de Nederlandse bepalingen ter
zake, met dien verstande dat daarbij, zoals verweerder terecht heeft
aangegeven, geen woonplaatseisen mogen worden gesteld. Uit de
toepasselijke Verordeningsbepalingen vloeit echter niet voort dat de
overige nationale voorwaarden voor het recht op kinderbijslag ook niet
zouden mogen worden gesteld. Integendeel, uit de tekst van artikel 77,
lid 2, sub a blijkt duidelijk dat een eventuele kinderbijslag wordt
verstrekt "overeenkomstig de wettelijke regeling" van de door
deze bepaling aangewezen lidstaat, hetgeen nu juist impliceert dat de
normale nationale voorwaarden wel mogen - zelfs: moeten - worden
gesteld.
(...)
Het gaat in casu om een situatie waarop artikel 5, lid 1, sub a, van het
Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag ziet, namelijk om een
situatie waarin het kind van de verzekerde niet tot het huishouden van
de verzekerde zelf behoort, maar tot het huishouden van een ander. [kind
I] en [kind II] behoorden immers tot het huishouden van de broer van
eiser. In deze situatie geldt ingevolge artikel 5, lid 2 naast de
inkomenseis een onderhoudseis van f 728,-- per kwartaal per kind.
(...)
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht alleen het door eiser
overgelegde bewijs van betaling ad f 1091,-- over het eerste kwartaal
van 1996 in aanmerking heeft genomen als bijdrage in het onderhoud van
[kind I] en [kind II]. Met betrekking tot het tweede kwartaal van 1996
heeft eiser weliswaar een bewijs van betaling ad f 2.600,-- overgelegd,
doch dit betrof een storting op een rekening op naam van eiser zelf en
niet op naam van de verzorger(s) van [kind I] en [kind II]. Ten aanzien
van dit bedrag kan niet worden gezegd dat eiser op voor verweerder
eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond dat het is aangewend ter
bestrijding van de kosten van levensonderhoud van [kind I] en [kind II].
Ten aanzien van de door eiser in het derde kwartaal van 1996 zelf in
Portugal opgenomen bedragen geldt dit a fortiori."
Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte artikel 78 van EG-Verordening 1408/71 (hierna: de
Verordening) niet in de beoordeling heeft betrokken en dat feitelijk een
woonplaatseis aan de kinderen wordt tegengeworpen, hetgeen in strijd is
met artikel 77 van de Verordening. Verder is aangevoerd dat artikel 5
van het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag in dit geval niet
van toepassing is en dat appellant wel voldoende heeft aangetoond zijn
kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Appellant meent dat
hij ten onrechte beperkt is in de wijze van betalen ten behoeve van zijn
kinderen, hetgeen in strijd is met het vrij verkeer van werknemers.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen slechts in geschil is of
gedaagde terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te
kennen over het eerste tot en met derde kwartaal van 1996, op de grond
dat hij niet op eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond zijn
twee kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet
worden beantwoord en onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande -
hiervoor gedeeltelijk aangehaald - heeft overwogen. Naar aanleiding van
hetgeen in hoger beroep is aangevoerd merkt de Raad nog het volgende op.
Met betrekking tot het beroep op artikel 78 van de Verordening is de
Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 mei 2002 (RSV 02/246
en USZ 02/236) van oordeel dat de in de artikelen 77 en 78 van de
Verordening vervatte regelgeving ertoe strekt de lidstaat te bepalen
waarvan de wettelijke regeling de verlening van bijslagen voor kinderen
ten laste van pensioen- of rentetrekkers of voor wezen beheerst, waarbij
de bijslagen dan in beginsel alleen volgens de wettelijke regeling van
deze staat worden verleend. Toepassing van artikel 78 van de Verordening
kan in dit geval derhalve slechts tot de conclusie leiden dat de
Nederlandse wetgeving van toepassing is, doch daarover verschillen
partijen niet van mening. Uit deze bepaling volgt niet dat geen
onderhoudseis gesteld zou mogen worden. Krachtens vaste rechtspraak van
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijven de lidstaten
immers bij uitsluiting bevoegd in hun wettelijke regelgeving de
voorwaarden vast te stellen voor de aanspraak op uitkering en de hoogte
en duur ervan.
Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat aan appellant in dit
geval niet een - ingevolge de artikelen 77 en 78 van de Verordening
verboden - woonplaatseis wordt tegengeworpen. Aan appellant worden in
ieder geval geen andere eisen gesteld ter zake van de aanspraak op
kinderbijslag voor zijn buiten Nederland verblijvende kinderen dan aan
een verzekerde die overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als
appellant maar wiens kinderen in Nederland verblijven. Ingevolge het
Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag heeft een verzekerde, wiens
kinderen niet tot zijn huishouden behoren, slechts aanspraak op
kinderbijslag indien hij kan aantonen dat hij zijn kinderen in
belangrijke mate heeft onderhouden. Het feit dat voor een specifieke
categorie verzekerden in de artikelen 2 tot en met 4 van dit Besluit een
afwijkende regeling is getroffen, kan hieraan niet afdoen.
Ten aanzien van de toepassing van het Besluit onderhoudsvoorwaarden
kinderbijslag merkt de Raad, in aanvulling op hetgeen de rechtbank
hieromtrent heeft overwogen, nog op dat ook uit de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 2 voortvloeit dat het de bedoeling van de
besluitgever is geweest artikel 3 van dat Besluit niet op verzekerden
als appellant van toepassing te doen zijn. Daarin worden namelijk
expliciet als situaties waarin het niet vanzelfsprekend is dat het kind
door de verzekerde wordt onderhouden en dus artikel 5 van toepassing is,
genoemd gevallen waarin het kind buiten Nederland verblijft of waarin
het kind in verband met bijzondere omstandigheden elders verblijft.
Ten slotte merkt de Raad op dat hij niet kan inzien dat de door
gedaagde, in het kader van de beoordeling van de onderhoudseis,
gehanteerde eisen ten aanzien van eenvoudige controleerbaarheid van
gestelde bijdragen in het levensonderhoud van kinderen waarvoor
aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt, een belemmering van het vrij
verkeer van burgers van de Europese Unie zouden kunnen opleveren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|