|
Uitspraak
01/2652
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van gedaagde van 13
januari 2000. Bij dit besluit (verder: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard tegen de
terugvordering van de over het derde kwartaal van 1996 tot en met het
derde kwartaal van 1997 onverschuldigd betaalde kinderbijslag en, naar
kennelijk is beoogd, tegen de hieraan ten grondslag liggende herziening
van de kinderbijslag over deze kwartalen. Tevens is het bezwaar van
appellante tegen de oplegging van een boete van fl. 300,= ongegrond
verklaard onder verhoging van de boete tot een bedrag van fl. 600,=.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 maart 2001 het beroep
gegrond verklaard voorzover het de hoogte van de boete betreft en de
hoogte van de boete vastgesteld op een bedrag van fl. 300,=. Voor het
overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen voorzover
daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 december 2002,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door R. Barten, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. J.Y. van den Berg, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellantes dochter [naam dochter] volgt sinds september 1995 een
opleiding tot leidster kindercentra. Zij is sinds 1 juni 1996 uitwonend.
Op de onderhoudsverklaringen over het derde en vierde kwartaal van 1996
heeft appellante ingevuld dat [naam dochter] een bedrag van fl. 233,=
respectievelijk fl. 250,= per maand verdiende bij het [naam tehuis] in
[vestigingsplaats]. Gedaagde heeft aan appellante over het derde
kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 tweevoudige
kinderbijslag toegekend. In 1998 is duidelijk geworden dat [naam
dochter] sinds augustus 1996 naast haar werkzaamheden in het [naam
tehuis] ook gewerkt heeft bij Dolcis in [vestigingsplaats]. Tevens bleek
dat [naam dochter] naast haar vast overeengekomen werkzaamheden
regelmatig overwerk bij het [naam tehuis] heeft verricht. Gedaagde is
van oordeel dat de inkomsten van [naam dochter] over het derde kwartaal
van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 in de weg staan aan
toekenning van tweevoudige kinderbijslag over deze kwartalen. Om die
reden heeft gedaagde de kinderbijslag van appellante over de betreffende
kwartalen kennelijk beoogd te herzien van tweevoudige naar enkelvoudige
kinderbijslag en het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante
teruggevorderd.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inkomsten van [naam
dochter] over het derde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal
van 1997 een zodanige omvang hebben gehad dat appellante gedurende deze
kwartalen niet kan worden geacht te hebben voldaan aan de onderhoudseis
die gold voor tweevoudige kinderbijslag. Op grond van artikel 27, eerste
lid, AKW wordt voorzover hier van belang een kind van 18 jaar of ouder
voor twee kinderen geteld indien het grotendeels op kosten van de
verzekerde wordt onderhouden. Op grond van artikel 4 van het Tijdelijk
besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag 18-plussers zoals luidend
ten tijde in geding, onderhoudt de verzekerde een kind grotendeels
indien het kind niet tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het
kind per kwartaal ten hoogste fl. 1.935,= (over het derde kwartaal van
1996) respectievelijk fl. 1.966,= (over het vierde kwartaal van 1996 tot
en met het derde kwartaal van 1997) bedraagt.
Appellante heeft aangevoerd dat [naam dochter], die bij het [naam
tehuis] als maaltijdassistent in vaste dienst werkte, bij deze werkgever
in de vakanties als kinderleidster vakantiewerk heeft verricht. Naar de
mening van appellante dienen de in de zomervakanties verworven inkomsten
als kinderleidster buiten beschouwing te worden gelaten. Appellante is
voorts van oordeel dat de inkomsten uit overwerk niet dienen te worden
toegerekend aan de maanden waarin het inkomen uit overwerk is
uitbetaald, maar aan de maanden waarin het overwerk is verricht.
Voorzover het inkomen uit overwerk moet worden toegerekend aan het
kwartaal van uitbetaling meent appellante dat het inkomen dat op de
loonstaat over 1996 is vermeld onder periode 13, door gedaagde ten
onrechte is toegerekend aan het vierde kwartaal van 1996, nu dit inkomen
pas in januari 1997 is uitbetaald.
De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat het inkomen van
[naam dochter] uit werkzaamheden als kinderleidster in de zomervakanties
buiten aanmerking moet worden gelaten. Op grond van artikel 1, eerste
lid, aanhef en onder d van de Regeling inkomen kinderbijslag wordt onder
inkomen van het kind als bedoeld in artikel 9 van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) niet verstaan netto-inkomen dat een kind tijdens
de zomervakantie uit arbeid verwerft, voorzover deze arbeid niet voor
een langere periode ook buiten de zomervakantie wordt verricht. Hoewel
[naam dochter] blijkens de loonstaten over 1996 en 1997 in de
zomervakanties meer uren als kinderleidster heeft gewerkt dan buiten
deze vakanties, is er naar het oordeel van de Raad toch geen sprake van
arbeid die niet voor een langere periode ook buiten de zomervakantie
wordt verricht. De Raad acht hierbij van belang dat de stageovereenkomst van [naam dochter] in algemene zin voorzag in het
invallen als kinderleidster en dat [naam dochter] feitelijk regelmatig
gedurende een wisselend en ook buiten de zomervakanties soms
substantieel aantal uren per maand als kinderleidster heeft gewerkt.
De Raad is voorts van oordeel dat de inkomsten van [naam dochter] moeten
worden toegerekend aan het kwartaal waarin deze feitelijk zijn genoten.
Blijkens informatie van het [naam tehuis] werd het inkomen per maand
uitbetaald. Het inkomen over periode 13 betrof overwerk en werd apart
uitbetaald. Aangezien, naar appellante heeft gesteld en gedaagde niet
heeft weersproken, het inkomen over periode 13 van 1996 in januari 1997
werd uitbetaald, heeft gedaagde het inkomen over periode 13 van 1996,
zijnde een bedrag van netto fl. 293,72, ten onrechte toegerekend aan het
vierde kwartaal van 1996. Bij toerekening van dit inkomen aan het eerste
kwartaal van 1997 heeft [naam dochter] over het vierde kwartaal van 1996
een netto-inkomen genoten van fl. 1.775,51, welk bedrag lager is dan het
voor tweevoudige kinderbijslag geldende grensbedrag van fl. 1.966,= .
Appellante heeft dus over dit kwartaal voor [naam dochter] aanspraak op
tweevoudige kinderbijslag.
In de overige kwartalen in geding heeft appellante ten aanzien van [naam
dochter] niet voldaan aan de onderhoudseis die geldt voor tweevoudige
kinderbijslag. Gedaagde was op grond van artikel 14a AKW verplicht de
over deze overige kwartalen toegekende tweevoudige kinderbijslag te
herzien naar enkelvoudige kinderbijslag. Voorts was gedaagde op grond
van artikel 24 AKW verplicht het onverschuldigd betaalde bedrag terug te
vorderen. De Raad is niet gebleken van een dringende reden waarom
gedaagde gehouden zou zijn geweest geheel of gedeeltelijk van herziening
of terugvordering af te zien. Als een zodanige reden kan met name niet
worden aangemerkt het feit dat [naam dochter] uitwonend was geworden,
dat appellante geen inzicht had in haar verdiensten en dat de
kinderbijslag betaalbaar werd gesteld op de bankrekening van [naam
dochter].
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit gedeeltelijk moeten worden vernietigd. Gedaagde dient een nader
besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op
de herziening van de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1996 en
op de terugvordering;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond en vernietigt het
bestreden besluit in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde met betrekking tot het vierde kwartaal van 1996 en
met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt
met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
de herziening van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 1996 en
over het eerste, tweede en derde kwartaal van 1997;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde
recht van €77,14 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|