|
Uitspraak
01/2616
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Marokko), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 13 maart 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Op verzoek van de Raad hebben partijen enkele stukken in het geding
gebracht. Ten slotte zijn namens gedaagde bij brieven van 28 november en
5 december 2002 nog enkele stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2002, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.Y. van den Berg,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar namens gedaagde is
verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Gedaagde is in Nederland werkzaam geweest in loondienst, laatstelijk via
een uitzendbureau. Nadat hij deze werkzaamheden ingaande 21 maart 1991
wegens ziekte had gestaakt, is gedaagde in april 1991 teruggekeerd naar
Marokko, alwaar hij sindsdien woont. In december 1992 heeft gedaagde aan
GAK Nederland B.V. verzocht hem uitkeringen ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen. Op deze aanvraag is
aanvankelijk afwijzend beslist, doch nadat de rechtbank Amsterdam bij
uitspraak van 11 november 1996 die beslissing had vernietigd, heeft GAK
Nederland B.V. bij besluit van 17 februari 1997 alsnog met ingang van 7
mei 1992 uitkeringen ingevolge de WAO/AAW aan gedaagde toegekend,
berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Gedaagde heeft in of omstreeks 1992, 1994 en 1996 aan appellant verzocht
hem kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te
kennen. In antwoord op enkele door appellant gestelde vragen heeft
gedaagde bij brief van 7 juli 1994 medegedeeld dat hij een Nederlandse
sociale verzekeringsuitkering heeft ontvangen en dat een medisch
onderzoek is verricht door de Gemeenschappelijke Medische Dienst te
Amsterdam. Door GAK Nederland B.V. is in juli 1994 desgevraagd aan
appellant medegedeeld "er loopt een aanvraag AAW" en in
november 1994 is medegedeeld dat appellant geen AAW/WAO-uitkering
toegekend heeft gekregen. Appellant heeft bij besluiten van 25 maart
1992, 9 januari 1995 en 4 juli 1996 afwijzend beslist op deze aanvragen,
omdat gedaagde niet verzekerd was ingevolge de AKW.
Bij brief van 26 september 1997 heeft gedaagde, onder verwijzing naar de
beslissing van GAK Nederland B.V. van 17 februari 1997 wederom
kinderbijslag aangevraagd. Appellant heeft vervolgens met ingang van het
eerste kwartaal van 1994 kinderbijslag aan gedaagde toegekend.
Aanvankelijk heeft appellant geweigerd kinderbijslag aan gedaagde toe te
kennen over het derde kwartaal van 1992 tot en met het vierde kwartaal
van 1993, op de grond dat het recht op kinderbijslag ingevolge artikel
14, derde lid, van de AKW, zoals dat artikel luidde tot 29 december
1995, niet meer vastgesteld kan worden over tijdvakken gelegen drie jaar
voorafgaande aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de
aanvraag werd ingediend. Daarbij heeft appellant overwogen dat geen
sprake is van een bijzonder geval, waarin afgeweken kan worden van de
termijn van drie jaar. Nadat de rechtbank de beslissing op bezwaar van
13 augustus 1998 had vernietigd, omdat appellant de aanvraag van
gedaagde van 26 september 1997 (mede) had moeten opvatten als een
verzoek om terug te komen van de eerdere afwijzende besluiten, heeft
appellant bij besluit van 3 augustus 2000 (hierna: het bestreden
besluit) geweigerd terug te komen van de besluiten van 25 maart 1992, 9
januari 1995 en 4 juli 1996.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd, overwegende - kort samengevat - dat sprake
is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die bij de eerdere
besluitvorming geen rol hebben gespeeld en die gedaagde destijds niet
als beroepsgrond naar voren had kunnen brengen. Op grond van deze nieuwe
feiten en/of omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank de
besluiten uit 1995 en 1996 evident onjuist, zodat appellant in
redelijkheid niet had kunnen weigeren van die besluiten terug te komen.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist, aanvoerende dat hij
terecht heeft kunnen oordelen dat er geen redenen zijn om terug te komen
van de eerdere afwijzende beslissingen om reden dat geen sprake is van
een bijzonder geval nu gedaagde verwijtbaar geen mededelingen heeft
gedaan van de omstandigheid dat zijn verzekeringspositie nog niet
definitief kon worden vastgesteld in verband met zijn beroepszaak tegen
GAK Nederland B.V.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is ook in hoger beroep in geschil of appellant in
redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van de in 1992, 1995
en 1996 genomen besluiten ten aanzien van gedaagdes aanspraak op
kinderbijslag, voor zover daarbij is geweigerd kinderbijslag toe te
kennen over het derde kwartaal van 1992 tot en met het vierde kwartaal
van 1993.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit vaste rechtspraak
dat de weigering van een bestuursorgaan om terug te komen van eerdere
rechtens onaantastbaar geworden besluiten geëerbiedigd dient te worden,
tenzij aan de eerdere besluiten dusdanige gebreken kleven dan wel zich
dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in
redelijkheid niet had mogen weigeren die eerdere besluiten ongedaan te
maken.
Door appellant is in eerste aanleg en in hoger beroep gesteld dat bij de
beoordeling van verzoeken om terug te komen van rechtens onaantastbaar
geworden besluiten - onder meer - als uitgangspunt wordt gehanteerd dat in
gevallen waarin sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel
14, derde lid, van de AKW gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid terug
te komen van eerdere besluiten met een verdere terugwerkende kracht dan
voorzien in laatstgenoemd artikellid. Voorts stelt de Raad vast dat
appellant bij de toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW voor
gevallen als het onderhavige, waarin eerst met terugwerkende kracht een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend en die toekenning ertoe
leidt dat de betrokkene alsnog met terugwerkende kracht verzekerd is
ingevolge de volksverzekeringen, aan het begrip bijzonder geval aldus
invulling heeft gegeven dat een dergelijk geval wordt aangenomen wanneer
de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei
wijze veilig heeft gesteld. Appellant neemt aan dat daarvan sprake is
als vóór het tijdstip van toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene
voldoende moeite heeft gedaan appellant in het kader van die aanvraag,
of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure, te informeren over de
mogelijke toekomstige aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde in ieder geval in of omstreeks
1992, 1994 en 1996 kinderbijslag heeft aangevraagd en dat naar
aanleiding van de aanvraag in 1994 informatie is ingewonnen bij gedaagde
en GAK Nederland B.V. waaruit is gebleken dat gedaagde een aanvraag om
een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend en dat
een zodanige uitkering in november 1994 (nog) niet was toegekend.
Nu gedaagde zowel in of omstreeks 1992 als in 1994 en 1996 aanvragen om
kinderbijslag heeft ingediend spitst het geschil zich, uitgaande van de
invulling die appellant heeft gegeven aan het begrip bijzonder geval,
toe op de vraag of gedaagde appellant toentertijd in voldoende mate
heeft geïnformeerd over zijn mogelijke aanspraak op een Nederlandse
arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad beantwoordt deze vraag, anders
dan appellant, bevestigend. Gedaagde heeft naar ´s Raads oordeel
appellant middels de in 1994 verstrekte informatie in voldoende mate geïnformeerd
over zijn mogelijke aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze
informatie is vervolgens bevestigd door GAK Nederland B.V. De Raad is
van oordeel dat in deze situatie van gedaagde redelijkerwijs niet
verlangd kon worden meer te doen jegens (de beslissingen van) appellant,
aangezien nog onduidelijkheid bestond over zijn aanspraak op
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft op grond van de
toentertijd bekende gegevens in 1992, 1995 en 1996 weliswaar juiste
beslissingen genomen over de aanspraak van gedaagde op kinderbijslag,
doch na kennisneming van de informatie van gedaagde had het appellant
duidelijk kunnen zijn dat het risico bestond dat achteraf zou kunnen
blijken dat gedaagde wel verzekerd was geweest ingevolge de AKW. De
gevolgen van deze risiconeming komen voor rekening van appellant,
hetgeen in casu moet leiden tot het oordeel dat ten onrechte geen
bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW is
aangenomen.
De Raad is verder - anders dan appellant - van oordeel dat op betrokkenen
in deze gevallen niet de verplichting rust appellant over alle
verschillende ontwikkelingen met betrekking tot de aanvraag om (of de
procedure over) de arbeidsongeschiktheidsuitkering te informeren,
aangezien slechts de definitieve toekenning (dan wel de hoogte) van die
uitkering relevant is voor de eventuele verzekering ingevolge de AKW.
Wanneer appellant echter desondanks in deze gevallen geïnformeerd wil
blijven over de hiervoor bedoelde ontwikkelingen, dan dient appellant de
betrokkene eerst expliciet te verzoeken die informatie te verstrekken
alvorens aan het eventueel uitblijven van deze informatie gevolgen
verbonden zouden kunnen worden.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant ten onrechte
heeft aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder
geval, hetgeen betekent dat appellant, gelet op het door hem gehanteerde
uitgangspunt, in redelijkheid niet had kunnen weigeren terug te komen
van de eerder genomen besluiten omtrent de aanspraak van gedaagde op
kinderbijslag over het derde kwartaal van 1992 tot en met het vierde
kwartaal van 1993. De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het op
enigszins gewijzigde gronden, voor bevestiging in aanmerking, met dien
verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen
met inachtneming van 's Raads uitspraak.
De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 322,-
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van 's
Raads uitspraak;
Veroordeelt de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een recht van € 327,-
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|