|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/5217 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba op de daartoe bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2001, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 maart 2003, waar
appellant is verschenen bij gemachtigde mr. drs. Hoebba, voornoemd en
waar gedaagde zich -met voorafgaand bericht- niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft gedaagde vastgesteld dat appellant
over het vierde kwartaal van 1998 tot en met het derde kwartaal van 1999
geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) voor het kind Mimoun, geboren 7 februari 1975. Bij het bestreden
besluit van 18 oktober 2000 heeft gedaagde zijn besluit van 4 oktober
1999 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen
uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering van kinderbijslag
over het vierde kwartaal van 1998 tot en met het derde kwartaal van 1999
is gebaseerd op de overweging dat gedaagde, ondanks in Marokko verricht
onderzoek, niet heeft kunnen vaststellen dat Mimoun gedurende het
schooljaar 1998/1999 daadwerkelijk onderwijsvolgend is geweest, zoals
ingevolge artikel 26, eerste lid, onder a, van de AKW (oud) voor het
recht op kinderbijslag vereist is.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat
gedaagde terecht heeft overwogen dat gerede twijfel is ontstaan of
Mimoun in het schooljaar 1998/1999 daadwerkelijk onderwijs volgde, nu
uit het door de Nederlandse Ambassade in Marokko verrichte onderzoek is
gebleken dat Mimoun weliswaar als leerling stond ingeschreven aan de
privéschool Institut Ibn Khaldun te Al Hoceima, doch dat - mede als
gevolg van de obstructieve houding van de schooldirectie - niet kon
worden vastgesteld dat hij in het schooljaar 1998/1999 daadwerkelijk
onderwijs volgde.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij aan de hand van de door
hem overgelegde bewijsstukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat
Mimoun in de in geding zijnde periode onderwijsvolgend was. Volgens hem
betekent het feit dat bij enkele medewerkers van de Nederlandse
Ambassade twijfel bestaat omtrent de uit het onderzoek verkregen
gegevens niet dat de door appellant en de directeur van de
onderwijsinstelling verstrekte informatie, die in het verleden door
gedaagde wel toereikend werd geacht voor het recht op kinderbijslag,
onjuist is.
De Raad overweegt als volgt.
Reeds eerder heeft de Raad, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 18
november 1998, gepubliceerd in USZ 1999/10, overwogen dat ten aanzien
van de vraag of sprake is van het volgen van een opleiding in het
algemeen kan worden afgegaan op een bewijs van inschrijving als leerling
of student, tenzij moet worden aangenomen dat het kind voor wie
kinderbijslag wordt gevraagd, zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd
niet grotendeels heeft besteed aan het volgen van onderwijs.
In het onderhavige geval stelt de Raad vast dat van de zijde van
appellant schoolverklaringen aan gedaagde zijn verstrekt, volgens welke
Mimoun tijdens de schooljaren 1995/1996, 1996/1997, 1997/1998, 1998/1999
en 1999/2000 aan het Institut Ibn Khaldun onderwijs volgde. Gedurende
het in dit geding van belang zijnde schooljaar 1998/1999 zou Mimoun
algemeen secondair onderwijs volgen in de studierichting "lettres
modernes" ter voorbereiding op het baccalaureaatsexamen.
In november 1998 heeft gedaagde in het kader van de AKW-controle op privéscholen
in Marokko onderzoek laten verrichten door de Nederlandse Ambassade. Bij
een bezoek aan het Institut Ibn Khaldun tijdens de schooluren was Mimoun
niet aanwezig, maar zou hij volgens de algemeen directeur nog wel op de
school zitten. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het primaire
besluit van 4 oktober 1999, heeft gedaagde de Nederlandse Ambassade in
Rabat verzocht verificatieonderzoek te doen naar de mate van deelname
aan en de inhoud van het door Mimoun gevolgde onderwijs. Bij brief van 15 september 2000 heeft de attaché voor sociale zaken verslag gedaan
van de resultaten van dit onderzoek. Inzage werd gegeven in het
leerlingendossier van Mimoun, waarin zich twee pasfoto's en één
rapport bevonden en waaruit voorts bleek dat Mimoun gedurende de vijf
schooljaren, waarop de door appellant overgelegde schoolverklaringen
betrekking hebben, steeds was ingeschreven in klas 3 AS (= année
secondaire). Ten tijde van het onderzoek was de pedagogisch directeur -
ondanks de daartoe door appellant schriftelijk verleende toestemming -
niet in staat en/of bereid verdere informatie, zoals aangaande aan- en
afwezigheid van Mimoun tijdens de lessen, te verschaffen.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde er onder de
hierboven geschetste omstandigheden - waar van de zijde van appellant
geen andersluidend bewijsmateriaal tegenover is gesteld - bij het
bestreden besluit van kon en mocht uitgaan dat er aanleiding was voor
gerede twijfel terzake van de vraag, of Mimoun in het schooljaar
1998/1999 zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels aan het
volgen van onderwijs heeft besteed. Daarbij merkt de Raad nog op dat het
feit dat gedaagde kennelijk voor eerdere schooljaren op basis van
overgelegde schoolverklaringen wel kinderbijslag ten behoeve van Mimoun
heeft toegekend, gedaagde niet de bevoegdheid ontneemt om - mede gelet op
de leeftijd van Mimoun - ter beoordeling van het recht op kinderbijslag
in een volgend schooljaar aanvullende gegevens van de aanvrager te
verlangen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|