|
Uitspraak
01/4175
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van
de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2001 (AWB 00/3932
AKW), waarna hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 24 december 2002 heeft mr. Van den Brom, voornoemd,
een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 november
2003, waar namens appellant is verschenen mr. Van den Brom en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, die in Marokko woont en die op grond van een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verzekerd is
voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), heeft van gedaagde
kinderbijslag ontvangen voor dertien in Marokko verblijvende kinderen.
Dit zijn volgens opgave op het MN401 formulier en een kopie van het
familieboekje de kinderen: Jamila, geboren 11 april 1988, Mina en Fatiha,
beiden geboren op 24 november 1989, Faoud, geboren op 22 september 1990, Charifa en
Mustapha, beiden geboren op 21 januari
1992, Ouarda, geboren op 2 februari 1993, Abdelkarim, geboren op 20
december 1993, Brahim, geboren 14 november 1994, Ikram en Jalal, beiden
geboren op 31 augustus 1995, Laila, geboren op 2 augustus 1996 en Zkia, geboren op
27 december 1997.
Omdat er bij gedaagde twijfels bestonden over de gezinssamenstelling, is
er op verzoek van gedaagde door medewerkers van de sociale attaché van
de Nederlandse ambassade ter plaatse in Marokko een
buitendienstonderzoek verricht naar het bestaan van de kinderen. Na
verificatie bij het register van de burgerlijke stand is het de
onderzoekers gebleken dat appellant maar zes kinderen had, te weten:
Jamila, Fatiha, Mina, Charifa, Abdelkarim en Ikram. Appellant heeft de
geconstateerde gegevens toegegeven en enkele door de onderzoekers
benaderde inwoners uit Douar hebben nog eens bevestigd dat appellant
nooit 13 kinderen gehad heeft. Uit het onderzoek blijkt dat mogelijk
[naam broer], de broer van appellant, die in Nederland woont, het
familieboekje met behulp van een ambtenaar gefalsifieerd heeft. Het
MN401 formulier is, naar de onderzoekers is medegedeeld, ondertekend
door M. Lamghari, een verkozen vice-president van de plattelandsgemeente
[woonplaats], die analfabeet is en die nooit controleert wat hij
ondertekent. De onderzoekers hebben niet de mogelijkheid gehad om de
kinderen zelf te zien.
Gedaagde heeft appellant hierop bij besluit van 3 augustus 1999
medegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1990 geen
recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen Fouad, Mustapha, Ouarda,
Brahim, Jalal, Laila en Zkia en zijn recht op kinderbijslag met
terugwerkende kracht vanaf dat kwartaal wordt herzien. Gedaagde heeft
hiertoe overwogen dat niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat
voornoemde kinderen ook inderdaad bestaan en als eigen kinderen van
appellant zijn aan te merken. Bij brief van eveneens 3 augustus 1999 is
voorts aangekondigd dat de ten onrechte aan appellant betaalde
kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1994 tot en met het eerste
kwartaal van 1999 zal worden teruggevorderd.
In bezwaar heeft appellant gesteld 13 kinderen te hebben en heeft hij
ter onderbouwing van zijn stelling verschillende verklaringen en aktes
overgelegd, waaronder: door M. Lamghari ondertekende en op 20 augustus
en 1 september 1999 gedateerde verklaringen van de gemeente [naam
gemeente], een (tweede) kopie van zijn trouwboekje, een Certificat de
Vie Collectif en een adoulaire Acte de Constatation de Filiation. Voorts
heeft appellant in reactie op het rapport van de sociale attaché zelf
in Marokko een onderzoek laten verrichten door twee medewerkers van het
Nederlands Steunpunt Re-Migranten. Deze medewerkers hebben daar met de
burgemeester en loco burgemeester van Ain Zorah gesproken, die beiden
verklaarden dat het familieboekje 13 kinderen vermeldt en het
familieboekje niet vervalst kan zijn. Anderzijds beschikt gedaagde in
het dossier over een brief van de Nederlandse ambassade waarin zij
gedaagde berichten dat appellant bij een bezoek aan de ambassade zijn
familieboekje getoond heeft dat er hoogst onbetrouwbaar uit zag omdat er
pagina's uit het boekje waren verwijderd en er pagina's uit een ander
familieboekje met nietjes tussen waren geplakt. Gedaagde heeft het
echter weinig zinvol geacht een tweede onderzoek door een sociaal attaché
te laten verrichten. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 10
juli 2000 zijn in het primair besluit neergelegde standpunt gehandhaafd
met die wijziging dat appellants recht op kinderbijslag met ingang van
het derde kwartaal van 1994 wordt herzien. Gedaagde heeft hierbij
overwogen dat de diverse ter ondersteuning van appellants standpunt
overgelegde verklaringen opgemaakt zijn aan de hand van het
familieboekje dat volgens de Sociale verzekeringsbank gefalsifieerd is,
zodat aan deze verklaringen geen waarde gehecht kan worden. Voorts kan
aan de verklaringen die door M. Lamghari zijn ondertekend geen waarde
gehecht worden nu deze analfabeet is en niet controleert wat hij
ondertekent.
De gemachtigde van appellant heeft in beroep aanleiding gezien een
advocaat in Marokko in te schakelen om (samen met een
gerechtsdeurwaarder) nader onderzoek te verrichten naar het bestaan van
de kinderen en daarvan een proces verbaal op te maken. Uit het proces
verbaal valt op te maken dat de onderzoekers in aanwezigheid van
appellant zich naar [woonplaats] hebben begeven om daar het bestaan van
de 13 kinderen te constateren.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde inhoudelijk onderschreven,
waarbij de rechtbank - kort gezegd - heeft overwogen dat meer waarde
gehecht moest worden aan de constatering van het objectiveerbare feit
dat de kinderen niet ingeschreven staan bij het register van de
burgerlijke stand (het onderzoek door de sociale attaché), dan de
verklaringen van de andere onderzoekers die niet op een dergelijke
objectiveerbaar feit zijn gebaseerd.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
overwogen heeft dat appellant er niet in geslaagd is met betrouwbare en
valide documenten aan te tonen dat Fouad, Mustapha, Ouarda, Brahim,
Jalal, Laila en Zkia zijn eigen kinderen zijn. Voorts voert appellant
aan dat de sociaal attaché voor zijn onderzoek mogelijk niet het
register van de burgerlijke stand, maar een ander register geraadpleegd
heeft, waarin de namen van voornoemde kinderen niet worden aangetroffen.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens vaste rechtspraak van de Raad is het voor de uitvoering van de
AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd,
betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de
afstamming van kinderen voor wie aanspraak op kinderbijslag wordt
gemaakt. De Raad stelt vast dat op grond van artikel 29 van het
Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van
het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk
Marokko inzake sociale zekerheid (Trb. 1973, 130), voor de toepassing
van de AKW door bemiddeling van de Caisse Nationale de Sécurité
Sociale (CNSS) de verificatie op de registratie en het bestaan van de in
Marokko verblijvende kinderen plaatsvindt. De verzekerde hoeft derhalve
zelf geen geboorteakten en levensbewijzen met betrekking tot zijn
kinderen over te leggen. Op grond van de via de CNSS verstrekte gegevens
moet derhalve in beginsel aangenomen worden dat sprake is van
betrouwbare en valide documenten als hiervoor bedoeld.
Dit laat echter onverlet dat wanneer gedaagde twijfelt over de
rechtmatigheid van de verstrekte gegevens hij, daargelaten nog de vraag
of zulks gelet op de ratio van het Administratief Akkoord niet primair
via de CNSS zou dienen te geschieden, nader onderzoek daaromtrent kan
(laten) verrichten. De uit zo'n onderzoek blijkende gegevens kunnen
echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het
Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen
gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de
betreffende kinderen niet bestaan dan wel de via de CNSS verstrekte
informatie anderszins onjuist is.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het in opdracht
van gedaagde verrichte onderzoek niet is komen vast te staan dat de
kinderen Fouad, Mustapha, Ouarda, Brahim, Jalal, Laila en Zkia inderdaad
bestaan en als eigen kinderen van appellant zijn aan te merken. Deze
conclusie is gebaseerd op het door de medewerkers van de sociaal attaché
opgemaakte rapport van hun zorgvuldig verricht buitendienstonderzoek in
[woonplaats], waarbij zij na raadpleging van brongegevens hebben moeten
concluderen dat de kinderen niet bij het register van de burgerlijke
stand zijn ingeschreven.
Appellant heeft de bevindingen uit deze rapportage naar het oordeel van
de Raad niet met betrouwbare en valide documenten kunnen weerleggen. De
Raad overweegt hiertoe vooreerst dat aan de rapportages die opgemaakt
zijn naar aanleiding van de onderzoeken door het Nederlands Steunpunt
Re-Migranten (SSR) en de Marokkaanse advocaat niet die waarde toegekend
kan worden die appellant daaraan toegekend wil zien omdat deze
onderzoeken zich beperkt hebben tot het afgaan op verklaringen van
ondervraagde dorpsgenoten, zonder inzage te hebben verkregen in de
brongegevens. De Raad merkt daarbij op dat de verklaringen die door de
burgemeester en vice-burgemeester jegens de SSR zijn afgelegd, gebaseerd
zijn op het familieboekje dat er volgens een medewerker van de
Nederlandse ambassade hoogst onbetrouwbaar uitzag, omdat er pagina's uit
het boekje waren verwijderd en er pagina's uit een ander familieboekje
met nietjes tussen waren geplakt. Ook gedaagde heeft na vergelijking van
de aan hem overgelegde kopieën van appellants familieboekjes moeten
concluderen dat deze er hoogst onbetrouwbaar uitzagen. Voorts merkt de
Raad op dat ook van de overige door appellant ter onderbouwing van zijn
stelling overgelegde verklaringen niet gesteld kan worden dat deze
gedaagdes standpunt kunnen weerleggen, nu deze verklaringen veelal
gebaseerd zijn op de gegevens uit het familieboekje, waarvan de
betrouwbaarheid juist wordt betwist. Naar het oordeel van de Raad kan
evenmin aan de adoulaire Acte de Constatation de Filiation die
bewijskracht toegekend worden die appellant daaraan toegekend wenst te
zien, waarbij de Raad opmerkt dat in deze akte maar zes kinderen worden
genoemd.
Nu ten aanzien van de zeven bovengenoemde kinderen niet kan worden
aangenomen dat zij ook inderdaad bestaan en dat zij als eigen kinderen
van appellant zijn aan te merken, heeft gedaagde terecht geoordeeld dat
appellant voor deze kinderen geen recht op kinderbijslag heeft en heeft
gedaagde terecht appellants recht op kinderbijslag met terugwerkende
kracht herzien.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|