|
Uitspraak
04/228
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19
december 2003, nr. AWB 02/4171 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 juni 2004, waar
appellant is verschenen bij mr. drs. M. van Everdingen en C.J. Siemerink,
beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde niet
is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft tot en met het tweede kwartaal van 2001 kinderbijslag
ontvangen voor zijn kinderen Najim (1987) en Ali (1985), die in Marokko
verblijven bij zijn echtgenote Zeneb Chouki. Appellant is er daarbij van
uitgegaan dat Najim en Ali behoorden tot het huishouden van gedaagde,
zodat gedaagde ten aanzien van hen niet aan de zogenoemde onderhoudseis
behoefde te voldoen.
Met ingang van 1 januari 2001 heeft appellant zijn beleid op het punt
van het vormen van een huishouden met in het land van herkomst
achtergebleven gezinsleden aangescherpt. Voorheen was er in de visie van
appellant sprake van een huishouden als de betrokkene een voortdurende
band met zijn gezin onderhield, blijkende uit regelmatige contacten en
onderhoudsbijdragen. Met ingang van 1 januari 2001 gaat appellant
ervan uit dat van een huishouden in het land van herkomst slechts sprake
kan zijn als de betrokkene ook ingezetene is van het land van herkomst.
Aan het voortbestaan van het huishouden met de achtergebleven
gezinsleden komt in de visie van appellant een einde op het moment
waarop de betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt,
tenzij (voorzover hier van belang) ondubbelzinnig vaststaat dat
betrokkene mede woonplaats in het land van herkomst heeft. Van
woonplaats in het land van herkomst is slechts sprake als de betrokkene
nauwe juridische, economische en sociale banden met dit land onderhoudt
en aan deze banden feitelijk vorm geeft door een verblijf van meer dan
drie maanden per jaar aldaar (Beleidsregels SVB 2000, par. 1.3.5.1 en
par. 2.2.6). Ten aanzien van kinderbijslaggerechtigden die op 1 oktober
1999 ingezetene van Nederland waren en over het vierde kwartaal van 1999
recht op kinderbijslag hadden omdat zij geacht werden een huishouden te
vormen met hun gezin in het land van herkomst, past appellant dit beleid
toe met ingang van 1 juli 2001 (artikel 1, derde lid, van het Besluit
Beleidsregels SVB 2000).
Onder toepassing van deze aangescherpte beleidsregels heeft appellant
bij primair besluit van 4 april 2002 aan gedaagde kinderbijslag
geweigerd met ingang van het derde kwartaal van 2001. Appellant heeft
daartoe overwogen dat Najim en Ali niet tot het huishouden van gedaagde
behoren omdat gedaagde niet ten minste drie maanden per jaar bij zijn
vrouw en kinderen in Marokko verblijft, en dat gedaagde niet heeft
aangetoond Najim en Ali vanaf het derde kwartaal van 2001 in belangrijke
mate te hebben onderhouden.
Bij het bestreden besluit van 6 augustus 2002 heeft appellant het
primaire besluit herroepen voorzover dit betrekking heeft op het vierde
kwartaal van 2001, aangezien gedaagde in dit kwartaal alsnog aan de
onderhoudseis bleek te hebben voldaan. Met betrekking tot het derde
kwartaal van 2001 en het eerste kwartaal van 2002 heeft appellant het
bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd
dat Najim en Ali vanaf het derde kwartaal van 2001 niet meer tot het
huishouden van gedaagde behoren. Ten aanzien van de grief van gedaagde
dat het nieuwe beleid niet genoegzaam bekend is gemaakt heeft appellant
overwogen dat hij gedaagde bij brief van 1 december 2000 over het nieuwe
beleid heeft ingelicht, terwijl dit beleid overigens op correcte wijze
is gepubliceerd.
In eerste aanleg heeft gedaagde aangevoerd dat hij wel degelijk één
huishouden met zijn gezin is blijven vormen, dat het gewijzigde beleid
niet juist is en dat dit beleid niet kenbaar is gemaakt zodat gedaagde
hiermee geen rekening heeft kunnen houden. Gedaagde zou de brief van 1
december 2000 nooit hebben ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en daarbij een griffierechtvergoeding en
proceskostenveroordeling uitgesproken. Ten aanzien van de inhoud van het
aangescherpte beleid heeft de rechtbank het uitgangspunt van appellant
onderschreven dat een arbeidsmigrant alleen een huishouden vormt met
zijn gezin in het land van herkomst indien en zolang gesteld kan worden
dat hij daar woont. Indien de belanghebbende echter zowel met Nederland
als met het land van herkomst zo nauwe juridische, economische en
sociale banden heeft dat niet van één middelpunt van zijn
maatschappelijk leven kan worden gesproken, acht de rechtbank het niet
aanvaardbaar dat appellant voor het aannemen van dubbele woonplaats de
(extra) eis stelt dat betrokkene aan zijn banden met het land van
herkomst feitelijk vorm geeft door een verblijf van meer dan drie
maanden per jaar.
Met betrekking tot de vraag of het gewijzigde beleid op toereikende
wijze is bekend gemaakt heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich
ten onrechte heeft beroepen op de publicatie van het Besluit
Beleidsregels SVB 2000 in de Staatscourant 2000, nr. 91, van 11 mei
2000, nu in deze publicatie geen enkele indicatie is gegeven van de aard
van de in het beleid aangebrachte wijzigingen ten aanzien van het vormen
van één huishouden en ten aanzien van het aannemen van een dubbele
woonplaats, zodat van “een weergave van de zakelijke inhoud van het
besluit” als bedoeld in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) niet kan worden gesproken. Nu appellant echter belanghebbenden bij
mailing van 1 december 2000 van de beleidswijziging op de hoogte heeft gesteld en
uit een systeemuitdraai genoegzaam aannemelijk is geworden dat appellant
ook aan gedaagde een exemplaar van deze mailing heeft doen toekomen,
heeft appellant ten aanzien van gedaagde de vereiste zorgvuldigheid in
acht genomen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij de beoordeling van
ingezetenschap, naast een toetsing van juridische, economische en
sociale banden, mede acht moet worden geslagen op de vraag waar het
leven van een belanghebbende zich feitelijk afspeelt, wil het
ingezetenschap in voorkomende gevallen niet verworden tot een fictie.
Appellant heeft er voorts op gewezen dat het aangescherpte beleid direct
tegemoet komt aan de systematiek van de AKW, nu deze wet voorziet in een
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van een kind, waarbij
dergelijke kosten ten laste van de verzekerde worden voorondersteld als
het kind samenleeft met de verzekerde, doch moeten worden aangetoond als
van samenleven geen sprake is.
Appellant meent voorts dat met voornoemde publicatie in de Staatscourant
de zakelijke inhoud van de beleidswijziging wel degelijk is
bekendgemaakt, terwijl overigens de publicatie van het integrale beleid
in boekvorm moet worden beschouwd als bekendmaking “op een andere
geschikte wijze” als bedoeld in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb.
De Raad ziet zich primair gesteld voor de vraag of het aangescherpte
beleid inzake het vormen van één huishouden door een verzekerde met
zijn gezinsleden in het land van herkomst aan gedaagde mag worden
tegengeworpen. Daartoe is in de eerste plaats van belang of dit beleid
in werking is getreden. Op grond van artikel 3:40 van de Awb treedt een
besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Artikel 3:42 van de Awb stelt regels inzake de bekendmaking van
besluiten van algemene strekking. Dit artikel luidt:
1. De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden
zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de
zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een
dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
wijze.
2. Indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven, wordt het
besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt
vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.
Appellant heeft de onderhavige beleidswijziging bekendgemaakt door
publicatie van het Besluit Beleidsregels SVB 2000 in Staatscourant 2000,
nr. 91 van 11 mei 2000, in combinatie met terinzagelegging van de
volledige Beleidsregels SVB 2000 op de kantoren van de Svb en het
uitbrengen van een handelseditie van deze beleidsregels.
Artikel 1, derde lid, van het Besluit Beleidsregels SVB 2000 luidt:
“In afwijking van het tweede lid blijft op personen die op 1 oktober 1999 in Nederland wonen en op die datum recht op kinderbijslag
hebben omdat zij geacht worden een huishouden te vormen met hun in het
buitenland verblijvende gezin, Deel II, paragraaf 1.3.5 van de
Beleidsregels SVB 1999 van toepassing tot 1 juli 2001”. In de eveneens
in de Staatscourant gepubliceerde toelichting op dit besluit wordt
vermeld dat de SVB belangrijke wijzigingen heeft aangebracht in de
beleidsregels die gelden ten aanzien van het vormen van één huishouden door in Nederland verblijvende personen wier gezin in het
buitenland verblijft, en dat daaraan gekoppeld een nadere invulling is
gegeven aan het begrip dubbele woonplaats. In de toelichting is verder
gesteld dat de beleidsregels zijn opgenomen in een bundel die ter inzage
ligt bij de kantoren van de SVB en dat een handelseditie zal worden
gepubliceerd die verkrijgbaar is bij de boekhandel.
De Raad is van oordeel dat belanghebbende kinderbijslaggerechtigden uit
het in de Staatscourant gepubliceerde Besluit Beleidsregels SVB 2000 en
de toelichting hierop konden begrijpen dat het beleid van appellant een
voor hen relevante wijziging had ondergaan en dat de precieze inhoud van
die wijziging door middel van de terinzagelegging van de integrale
Beleidsregels SVB 2000 en de uitgave van een handelseditie in voldoende
mate toegankelijk en kenbaar was. De onderhavige beleidswijziging is
derhalve gepubliceerd op een wijze die voldoet aan de eisen van artikel
3:42, van de Awb en is ten aanzien van de in artikel 1, derde lid, van
het Besluit Beleidsregels SVB 2000 bedoelde categorie van personen in
werking getreden op 1 juli 2001.
Naast deze algemene bekendmaking heeft appellant in december 2000 -
vanuit een oogpunt van zorgvuldige gevalsbehandeling op goede gronden - een mailing met uitleg over de beleidswijziging gezonden aan
kinderbijslaggerechtigden - onder wie, naar voldoende aannemelijk is
geworden, gedaagde - die vooraf aan de hand van in het geautomatiseerde
systeem van appellant vastgelegde criteria konden worden geselecteerd
als waarschijnlijk belanghebbenden bij deze beleidswijziging.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de onderhavige
wijziging op behoorlijke wijze mede aan gedaagde is kenbaar gemaakt op
een zodanig tijdstip dat gedaagde, voor het geval hij volgens de nieuwe
criteria niet langer als ingezetene van Marokko kon worden beschouwd en
derhalve niet langer kon worden geacht een huishouden te vormen met zijn
in Marokko verblijvende kinderen, door middel van het leveren van
toereikende onderhoudsbijdragen zijn aanspraak op kinderbijslag vanaf
het derde kwartaal van 2001 veilig zou kunnen stellen.
Met betrekking tot de aanvaardbaarheid van het aangescherpte beleid
verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 augustus 2003, USZ 2003/295
en RSV 2003/277, waarin hij heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden
dat appellant met dit beleid op een onjuiste wijze inhoud heeft gegeven
aan het begrip huishouden in artikel 7, eerste en derde lid, van de AKW.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd en in hetgeen de rechtbank heeft
gesteld ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel specifiek op
het punt van de door appellant gehanteerde eis dat de verzekerde meer
dan drie maanden per jaar feitelijk bij zijn gezin in het land van
herkomst verblijft. Zoals appellant terecht heeft opgemerkt is een
belangrijk element, zowel bij de beoordeling van mogelijk ingezetenschap
als bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van het vormen van
één huishouden met achtergebleven gezinsleden, immers de vraag waar de
verzekerde feitelijk verblijft.
De Raad constateert voorts dat tussen partijen niet in geschil is dat
gedaagde vanaf het derde kwartaal van 2001 niet aan de aangescherpte
voorwaarden voldoet om te kunnen worden geacht één huishouden te
vormen met zijn gezinsleden in Marokko. Evenmin heeft gedaagde bestreden
over het derde kwartaal van 2001 en het eerste kwartaal van 2002 niet
aan de onderhoudseis te hebben voldaan. Appellant heeft aan gedaagde
derhalve op goede gronden kinderbijslag geweigerd over deze kwartalen.
Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden
vernietigd onder ongegrondverklaring van het inleidend beroep.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|