|
Uitspraak
03/2902
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni
2002, nr. AWB 97/11318 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief gedateerd 20 juni 2003 heeft de Raad enkele inlichtingen met
betrekking tot de uitspraak ingewonnen bij de rechtbank, welke brief
door de rechtbank bij brief gedateerd 13 augustus 2003 is beantwoord.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waar
appellant, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen, terwijl voor
gedaagde is verschenen drs. L.R.W. van der Feen de Lille, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit op bezwaar van 16 september 1997, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 2 oktober 1996,
waarbij hij heeft geweigerd aan appellant met ingang van het derde
kwartaal van 1996 kinderbijslag toe te kennen ten behoeve van zijn zoon
Fouad, geboren [in] 1978.
Bij uitspraak gedateerd 27 juni 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen
het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij beroepschrift gedateerd
én verzonden op 23 mei 2003, bij de Raad ingekomen op 12 juni 2003, is
appellant tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Daarbij heeft
hij aangegeven dat hij de uitspraak van 27 juni 2002 op 23 mei 2003
heeft ontvangen.
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of het hoger beroep ontvankelijk
is.
Bij brief gedateerd 20 juni 2003 heeft de Raad terzake van de verzending
en ontvangst van de bestreden uitspraak inlichtingen ingewonnen bij de
rechtbank. Door de rechtbank is daarop geantwoord dat de uitspraak op 27
juni 2002 is verzonden aan appellant. Volgens de aanbiedingsbrief zou
dit aangetekend zijn gebeurd; hiervan kan door de rechtbank echter geen
bewijs worden overgelegd. Naar aanleiding van een brief van appellant
van 22 februari 2003 is op 7 mei 2003 de uitspraak nogmaals aan
appellant verzonden.
In genoemde brief van appellant is door hem aangegeven dat hij op een
eerder verzoek om informatie geen antwoord heeft gekregen en wordt door
hem gevraagd of er al uitspraak is gedaan in deze zaak. Uit het
procesdossier van de rechtbank blijkt dat door appellant meerdere malen,
te beginnen bij brief van 29 oktober 2001, is gevraagd waar de uitspraak
in zijn zaak bleef.
De Raad constateert dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid
dat de aangevallen uitspraak bij aangetekende brief of bij brief met
ontvangstbevestiging is verzonden, zodat het er voor moet worden
gehouden dat dit niet is gebeurd. Een kopie van de uitspraak heeft
appellant op 23 mei 2003 bereikt. Appellant heeft bij brief van dezelfde
dag hoger beroep ingesteld, welk beroep bij de Raad op 12 juni 2003 is
binnengekomen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep
tijdig is ingesteld.
Ten gronde oordeelt de Raad als volgt.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen:
“Tot 1 oktober 1986 had de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van
de AKW recht op kinderbijslag voor door hem verzorgde eigen, aangehuwde
en pleegkinderen tussen de 16 en 27 jaar, die in belangrijke mate door
hem werden onderhouden en wier voor werkzaamheden beschikbare tijd in
beslag werd genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of
van een beroepsopleiding. Met ingang van 1 oktober 1986 is de
leeftijdsgrens van 27 jaar naar 18 jaar verlaagd. Het nieuwe AKW-regime
is echter niet onmiddellijk in volle omvang op alle AKW-verzekerden van
toepassing geworden. Voor kinderen geboren vóór 1 oktober 1986 is een
overgangsregeling getroffen op grond waarvan, conform het oude regime,
tot het bereiken van aanvankelijk de 27-jarige leeftijd, maar later de
25-jarige leeftijd, recht bleef bestaan op kinderbijslag. Deze
overgangsregeling was laatstelijk neergelegd in artikel 26 van de AKW.
Bij wet van 21 december 1995, Stb. 1995,691, is artikel 26 van de AKW
per 1 januari 1996 geschrapt. In de wet van 21 december 1995 is een
overgangsregeling opgenomen op grond waarvan het recht op kinderbijslag
ondanks het wegvallen van artikel 26 van de AKW, nog enige tijd blijft
bestaan. Op grond van deze overgangsregeling blijft het rechtop
kinderbijslag bestaan voor kinderen die:
- op 30 september 1995 17 jaar of ouder waren, en
- in het vierde kwartaal onderwijs 1995 volgden, waarvoor recht op
kinderbijslag bestaat.
Het recht op kinderbijslag blijft bestaan zolang het kind de leeftijd
van 25 jaar nog niet heeft bereikt en het dezelfde opleiding blijft
volgen als op 1 oktober 1995.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank gaat ervan uit
dat Fouad in het vierde kwartaal van 1995 geen onderwijs volgde. Eiser
stelt zich echter op het standpunt dat Fouad invalide is en daarom niet
kan werken en niet kan studeren. Deze omstandigheden kunnen er echter
niet toe leiden dat aangenomen kan worden dat Fouad wel aan de
voorwaarden voldoet om voor de overgangsregeling in aanmerking te komen.
Nu Fouad op 27 juni 1996 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, heeft
verweerder, gelet op artikel 7 van de AKW, op goede gronden het recht op
kinderbijslag voor Fouad met ingang van het derde kwartaal van 1996 beëindigd.”
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het bestreden besluit niet
in strijd is met het gemeenschapsrecht. Zij heeft daartoe verwezen naar
de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van
20 maart 2001, zaak C-33/99 (Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado).
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de
daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger
beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|