|
Uitspraak
04/227
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december
2003, nr. AWB 02/3879 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 20 augustus 2004, waar partijen, appellant met bericht van
verhindering, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft tot en met het tweede kwartaal van 2001 kinderbijslag
ontvangen voor zijn kinderen Abdelghani, geboren op 21 november 1983 en
Ouarda, geboren op 4 februari 1986, die in Marokko verblijven bij de
echtgenote van gedaagde. Appellant is er daarbij van uitgegaan dat de
kinderen behoorden tot het huishouden van gedaagde, zodat gedaagde ten
aanzien van hen niet aan de zogenoemde onderhoudseis behoefde te
voldoen.
Bij formulier gedagtekend 20 september 2001 heeft gedaagde ten behoeve
van genoemde kinderen kinderbijslag aangevraagd voor het derde kwartaal
van 2001. Gedaagde heeft daarbij aangegeven gemiddeld f 1.000,- per
maand bij te dragen aan het onderhoud van de kinderen. Van 4 augustus
2001 tot 26 augustus 2001 heeft hij bij zijn gezin in Marokko verbleven.
Gemiddeld gaat hij drie keer per jaar naar Marokko voor een verblijf van
in totaal 10 weken. Gezinshereniging in Nederland wordt door gedaagde
niet beoogd.
Uit een door appellant opgemaakt bezoekrapport van 13 november 2001 komt
naar voren dat gedaagde heeft verklaard in het derde kwartaal van 2001 4
weken in Marokko te zijn geweest en daar geld te hebben opgenomen.
Gedaagde kon van dit laatste evenwel geen bewijsstukken overleggen.
Met ingang van 1 januari 2001 heeft appellant zijn beleid op het punt
van het vormen van een huishouden met in het land van herkomst
achtergebleven gezinsleden aangescherpt. Voorheen was er in de visie van
appellant sprake van een huishouden als de betrokkene een voortdurende
band met zijn gezin onderhield, blijkende uit regelmatige contacten en
onderhoudsbijdragen. Met ingang van 1 januari 2001 gaat appellant ervan
uit dat van een huishouden in het land van herkomst slechts sprake kan
zijn als de betrokkene ook ingezetene is van het land van herkomst. Aan
het voortbestaan van het huishouden met de achtergebleven gezinsleden
komt in de visie van appellant een einde op het moment waarop de
betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, tenzij
(voorzover hier van belang) ondubbelzinnig vaststaat dat betrokkene mede
woonplaats in het land van herkomst heeft. Van woonplaats in het land
van herkomst is slechts sprake als de betrokkene nauwe juridische,
economische en sociale banden met dit land onderhoudt en aan deze banden
feitelijk vorm geeft door een verblijf van meer dan drie maanden per
jaar aldaar (Beleidsregels SVB 2000, par. 1.3.5.1 en par. 2.2.6). Ten
aanzien van kinderbijslaggerechtigden die op 1 oktober 1999 ingezetene
van Nederland waren en over het vierde kwartaal van 1999 recht op
kinderbijslag hadden omdat zij geacht werden een huishouden te vormen
met hun gezin in het land van herkomst past appellant dit beleid toe met
ingang van 1 juli 2001 (artikel 1, derde lid, van het Besluit
Beleidsregels SVB 2000).
Onder toepassing van deze aangescherpte beleidsregels heeft appellant
bij primair besluit van 20 november 2001 aan gedaagde kinderbijslag
geweigerd over het derde kwartaal van 2001. Appellant heeft daartoe
overwogen dat de kinderen niet tot het huishouden van gedaagde behoren
omdat gedaagde niet ten minste drie maanden per jaar bij zijn vrouw en
kinderen in Marokko verblijft, en dat gedaagde niet heeft aangetoond de
kinderen over genoemd kwartaal in belangrijke mate te hebben
onderhouden.
Bij het bestreden besluit van 19 juli 2002 heeft appellant het bezwaar
tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de kinderen van gedaagde
over het derde kwartaal van 2001 niet tot het huishouden van gedaagde
behoren. Het gewijzigde beleid is op de voorgeschreven wijze
bekendgemaakt en ook appellant zelf is tijdig, bij mailing van 1
december 2000, over de inhoud van het nieuwe beleid geïnformeerd.
Verder wordt aangegeven dat gedaagde niet op eenvoudig te controleren
wijze heeft aangetoond de, voor het recht op kinderbijslag vereiste,
onderhoudsbijdrage te hebben overgemaakt aan degene die de kinderen
verzorgt.
In beroep is namens gedaagde onder meer aangevoerd dat het gewijzigde
beleid in strijd is met de wet en de rechtspraak van de Centrale Raad
van Beroep, dat de beleidswijziging niet op de juiste wijze is
bekendgemaakt, dat gedaagde de mailing van 1 december 2001 niet heeft
ontvangen en dat wél aan de vereiste onderhoudsbijdrage is voldaan.
Door appellant zijn stukken overgelegd waaruit moet worden afgeleid dat
de mailing van 1 december 2000 óók aan gedaagde is verstuurd.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en daarbij een griffierechtvergoeding en
proceskostenveroordeling uitgesproken. Ten aanzien van de inhoud van het
aangescherpte beleid heeft de rechtbank het uitgangspunt van appellant
onderschreven dat een arbeidsmigrant alleen een huishouden kan vormen
met zijn gezin in het land van herkomst indien en zolang gesteld kan
worden dat hij daar woont. Indien de belanghebbende echter zowel met
Nederland als met het land van herkomst zo nauwe juridische, economische
en sociale banden heeft dat niet van één middelpunt van zijn
maatschappelijk leven kan worden gesproken, acht de rechtbank het niet
aanvaardbaar dat appellant voor het aannemen van dubbele woonplaats de
(extra) eis stelt dat betrokkene aan zijn banden met het land van
herkomst feitelijk vorm geeft door een verblijf van meer dan drie
maanden per jaar.
Met betrekking tot de vraag of het gewijzigde beleid op toereikende
wijze aan gedaagde is kenbaar gemaakt heeft de rechtbank overwogen dat
appellant zich ten onrechte heeft beroepen op de publicatie van het
Besluit Beleidsregels SVB 2000 in de Staatscourant 2000, nr. 91, van 11
mei 2000, nu in deze publicatie geen enkele indicatie is gegeven van de
aard van de in het beleid aangebrachte wijzigingen ten aanzien van het
vormen van één huishouden en ten aanzien van het aannemen van een
dubbele woonplaats, zodat van “een weergave van de zakelijke inhoud
van het besluit” als bedoeld in artikel 3:42 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) niet kan worden gesproken. Nu appellant echter
belanghebbenden bij mailing van 1 december 2000 van de beleidswijziging
op de hoogte heeft gesteld en uit een systeemuitdraai genoegzaam
aannemelijk is geworden dat appellant ook aan gedaagde een exemplaar van
deze mailing heeft doen toekomen, heeft appellant ten aanzien van
gedaagde de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij de beoordeling van
ingezetenschap, naast een toetsing van juridische, economische en
sociale banden, mede acht moet worden geslagen op de vraag waar het
leven van een belanghebbende zich feitelijk afspeelt, wil het
ingezetenschap in voorkomende gevallen niet verworden tot een fictie.
Appellant heeft er voorts op gewezen dat het aangescherpte beleid direct
tegemoet komt aan de systematiek van de AKW, nu deze wet voorziet in een
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van een kind, waarbij
dergelijke kosten ten laste van de verzekerde worden voorondersteld als
het kind samenleeft met de verzekerde, doch moeten worden aangetoond als
van samenleven geen sprake is. Appellant heeft erop gewezen dat de CRvB
bij uitspraak van 15 augustus 2003, gepubliceerd in USZ 2003/295,
inhoudelijk het gewijzigde beleid inzake het vormen van één huishouden
door een verzekerde met zijn gezinsleden in het land van herkomst
(reeds) heeft geaccordeerd. Appellant meent voorts dat met voornoemde
publicatie in de Staatscourant de zakelijke inhoud van de
beleidswijziging wel degelijk is bekendgemaakt, terwijl overigens de
publicatie van het integrale beleid in boekvorm moet worden beschouwd
als bekendmaking “op een andere geschikte wijze” als bedoeld in
artikel 3:42, eerste lid, van de Awb.
De Raad oordeelt als volgt.
In onder meer zijn uitspraak van 13 augustus 2004, nr. 03/2991 AKW, LJN AQ7503, heeft de Raad als zijn oordeel uitgesproken dat de
wijziging van het beleid inzake het vormen van één huishouden door een
verzekerde met zijn gezinsleden in het land van herkomst, is
bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3:42 van de Awb en dat dit
beleid, ook wat betreft de daarin genoemde verblijfstermijn van drie
maanden per jaar, de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad heeft
verder geoordeeld dat gedaagde terecht heeft gemeend uit
zorgvuldigheidsoverwegingen alle haar bekende betrokken verzekerden
persoonlijk te informeren via toezending van de hiervoor genoemde
mailing van 1 december 2000.
De Raad constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde
vanaf het derde kwartaal van 2001 niet aan de aangescherpte voorwaarden
voldoet om te kunnen worden geacht één huishouden te vormen met zijn
gezinsleden in Marokko. De Raad acht verder voldoende aannemelijk dat de
mailing van 1 december 2000 door appellant óók aan gedaagde is
toegezonden. De Raad concludeert dat gedaagde, wil hij voor het derde
kwartaal van 2001 in aanmerking komen voor kinderbijslag ten behoeve van
zijn kinderen Abdelghani en Ouarda, op voor appellant eenvoudig te
controleren wijze zal moeten aantonen aan de onderhoudsbijdrage te
hebben voldaan.
Gedaagde is daarin naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. Gedaagde
heeft gesteld tijdens zijn vakantie in Marokko in augustus 2001 geld te
hebben opgenomen. De Raad moet echter constateren dat deze bewering niet
met bewijsmiddelen is onderbouwd, zodat reeds op die grond dit bedrag
niet kan bijdragen aan de - als onderhoudsbijdrage voor twee kinderen -
vereiste f 1.582,-. De door gedaagde gestelde reiskosten ad f 400,-
gevoegd bij f 1.169,19, welke is uitbetaald als kinderbijslag voor het
tweede kwartaal van 2001, kunnen evenmin het door gedaagde gewenste
resultaat bewerkstelligen.
Appellant heeft aan gedaagde derhalve op goede gronden kinderbijslag
geweigerd over het derde kwartaal van 2001. Gelet hierop dient de
aangevallen uitspraak te worden vernietigd onder ongegrondverklaring van
het inleidend beroep.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|