|
Uitspraak
02/4095
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 juni 2002, nr. AWB 99/7972 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2004,
waar voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn voornoemd,
terwijl voor gedaagde is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft tot en met het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag
ontvangen voor zijn dochter Gloria, geboren op 13 september 1977.
Bij besluit van 29 januari 1999 heeft gedaagde aan appellant kenbaar
gemaakt dat hij vanaf het vierde kwartaal van 1998 geen recht meer heeft
op kinderbijslag voor Gloria.
Bij besluit van 28 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 29 januari 1999
ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat met ingang van het eerste
kwartaal van 1996 het recht op kinderbijslag voor kinderen die ouder
zijn dan 18 jaar is afgeschaft. Voor kinderen die op de peildatum van
het vierde kwartaal van 1995 een studie of opleiding volgden én die
zijn geboren vóór 1 oktober 1978 is een overgangsregeling getroffen.
Vanaf 1 januari 1996 heeft zo’n kind recht op kinderbijslag -
voorzover hier van belang - zolang het dezelfde studie of opleiding
volgt als op 1 oktober 1995. Gloria volgt ingaande het vierde kwartaal
van 1998 onderwijs ter voorbereiding op hogeschool en universiteit (Curso
de Orientación Universitaria (COU)). Ingaande het vierde kwartaal van
1995 volgde zij een opleiding ingevolge het Bachillerato Unificado
Polivalente (BUP). Deze opleidingen kunnen, aldus gedaagde, niet geacht
worden dezelfde opleiding te zijn. Daarnaast is niet gebleken dat Gloria
gemiddeld 213 uur per kwartaal aan studie heeft besteed, terwijl ook
niet aannemelijk is gemaakt dat de totale studiebelasting over het jaar
1998/1999 ten minste 1600 uur bedraagt.
In beroep is namens appellant primair betoogd dat, op meerdere gronden,
de afschaffing/verdere beperking van het recht op kinderbijslag met
ingang van het eerste kwartaal van 1996 in strijd is met het
(internationale) recht. Ter zitting van de rechtbank is namens appellant
verder betoogd dat de opleiding COU het logische vervolg is op de
opleiding BUP. De COU zit bij de middelbare school, het zit samen in
hetzelfde gebouw. Beide opleidingen zijn pre-universitaire opleidingen.
Gloria bleef dus wel hetzelfde onderwijs volgen. Zij had hetzelfde
schoolhoofd als in de periode 1994/1995, aldus appellants gemachtigde.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van het
antwoord op de vraag of Gloria ingaande het vierde kwartaal van 1998 nog
hetzelfde onderwijs volgt als op 1 oktober 1995 heeft de rechtbank als
volgt overwogen:
"Het Spaanse onderwijssysteem ten tijde in dit geding
van belang bestaat uit verschillende fasen. Na het peuter- en
kleuteronderwijs en het basisonderwijs volgt het voortgezet onderwijs.
Dit voortgezet onderwijs kent verschillende keuzemogelijkheden. Een van
die mogelijkheden is de driejarige middelbare school (Bachillerato
Unificado Polivalente), die wordt afgesloten met het ‘Bachiller’
diploma. Het behalen van dit diploma geeft recht op het volgen van de
voorbereiding op hogeschool en universiteit. Ook kan men met dit diploma
overstappen naar het tweede niveau van het beroepsonderwijs.
Het onderwijs ter voorbereiding op hogeschool en universiteit (Curso de
Orientación Universitaria) is voor iedereen verplicht en duurt normaal
gesproken een jaar en maximaal drie jaar. Een succesvolle afsluiting van
de COU geeft recht op het mogen meedoen aan het toelatingsexamen voor de
universiteit."
De rechtbank concludeert dat het onderwijs dat na het volgen van het
‘Bachiller’ diploma wordt gevolgd, niet hetzelfde onderwijs is als
het onderwijs aan de BUP. Deze opleiding wordt immers afgesloten met een
diploma en heeft ook een zelfstandige betekenis. Naar nationaal recht
beoordeeld heeft gedaagde dan ook op goede gronden beslist dat appellant
met ingang van 1 oktober 1998 geen recht meer heeft op kinderbijslag
voor Gloria.
De rechtbank is vervolgens nagegaan of de nationale regeling, hetzij in
het algemeen, hetzij in de individuele situatie van appellant, buiten
toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met het internationale
recht. De rechtbank heeft deze vraag in negatieve zin beantwoord. Het
beroep wordt ongegrond verklaard.
In hoger beroep zijn namens appellant de in bezwaar en beroep
voorgedragen grieven in essentie herhaald. Ter zitting van de Raad heeft
appellants gemachtigde haar aan het internationale recht ontleende
grieven laten vallen. In hoger beroep staat enkel ter beantwoording de
vraag of het BUP kan worden aangemerkt als dezelfde soort onderwijs als
de COU.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt voorop dat wil er van dezelfde opleiding gesproken kunnen
worden, het moet gaan om een zelfde soort opleiding en een zelfde soort
onderwijs. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn
uitspraak van 3 oktober 2001, gepubliceerd in USZ 2001/274. Onder
verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank, welke de Raad tot de
zijne maakt, moet de Raad constateren dat in het onderhavige geval niet
kan worden gesproken van dezelfde opleiding.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|