|
Uitspraak
03/2313 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft drs. M.A. Spaans op daartoe bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2003, nr. AKW
02/1762-KRD, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde laten weten, nader
van mening te zijn dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door
een toereikende motivering.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter
zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad
bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het
onderzoek gesloten.
Gedaagde heeft bij primair besluit van 27 februari 2002 aan appellant
kinderbijslag geweigerd onder de overweging dat de door hem naar Turks
recht erkende kinderen Hüseyin en Kevser niet kunnen worden aangemerkt
als eigen kinderen van appellant in de zin van artikel 7, eerste lid,
van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij het bestreden besluit van 7
juni 2002 heeft gedaagde zijn primaire besluit gehandhaafd. De rechtbank
heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde onder verwijzing
naar ’s Raads uitspraak van 15 april 2005, RSV 2005/224 en USZ
2005/205, nader het standpunt ingenomen dat deze kinderen alsnog dienen
te worden aangemerkt als eigen kinderen van appellant. Appellant kan
volgens gedaagde voor genoemde kinderen aanspraak op kinderbijslag
maken, mits aan de overige voorwaarden hiervoor is voldaan. Gedaagde zal
hiernaar een nader onderzoek instellen.
De Raad onderschrijft het nadere standpunt van gedaagde en constateert
dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De
Raad zal daarom, onder vernietiging van de aangevallen uitspraak, het
inleidend beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 7:12,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,= voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,=, te betalen door de
Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde
griffierecht van € 116,= vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september
2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|