|
Uitspraak 04/41
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te
’s-Gravenhage, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
19 november 2003, nr. 02/4756 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2006,
waar appellant noch zijn gemachtigde is verschenen, terwijl voor
gedaagde is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellants (tweede) echtgenote is woonachtig in Marokko, tezamen met hun
beider zoon Abdelaziz, geboren [in] 1989.
Bij brief van 1 december 2000 heeft gedaagde appellant op de hoogte
gesteld van de beleidswijziging per 1 januari 2001, inhoudende dat hij -
na een overgangsperiode van zes maanden - dient aan te tonen dat
hij ten behoeve van zijn in het buitenland verblijvende kind in
belangrijke mate bijdraagt in diens onderhoud.
Bij besluit van 20 juni 2002 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat
hij met ingang van het eerste kwartaal van 2002 geen recht heeft op
kinderbijslag voor Abdelaziz omdat hij niet heeft kunnen aantonen dat
hij in dit kwartaal in belangrijke mate in het onderhoud van Abdelaziz
heeft bijgedragen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
ongegrond verklaard en het besluit van 20 juni 2002 gehandhaafd. Bij dit
besluit heeft gedaagde tevens besloten dat appellant ook over het tweede
en derde kwartaal 2002 geen recht heeft op kinderbijslag voor Abdelaziz,
nu appellant niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond dat
hij Abdelaziz in belangrijke mate heeft onderhouden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het
standpunt van gedaagde onderschreven en het door appellant tegen het
besluit van 28 oktober 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft
miskend dat het besluit op bezwaar verder strekt dan op grond van de
heroverweging van het primaire besluit gerechtvaardigd was. Tevens heeft
appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking
tot het aannemelijk maken van de onderhoudsbijdrage.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt - met appellant - vast dat gedaagde met het bestreden
besluit gedeeltelijk niet is gebleven binnen de grondslag en de
reikwijdte van het primaire besluit van 20 juni 2002. Voorzover bij het
bestreden besluit ook is beslist omtrent het recht op kinderbijslag over
het tweede en derde kwartaal van 2002 is onmiskenbaar sprake van
primaire besluitvorming. Daartegen dient ingevolge artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu de daarin vervatte uitzonderingen
op de in het stelsel van de Awb verplichte bezwaarprocedure hier niet
van toepassing zijn, alvorens beroep kon worden ingesteld, bezwaar te
worden gemaakt. In motieven van efficiëntie - die gedaagde blijkens
het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank aan zijn handelwijze
in dezen ten grondslag heeft gelegd - kan naar het oordeel van de Raad
ten tijde hier van belang geen grond vormen voor verdergaande
uitzonderingen op het volgen van de bezwaarprocedure, gegeven het
wettelijk systeem van bezwaar en beroep, zoals neergelegd in de Awb.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend
op de hiervoor omschreven primaire besluitvorming, niet in stand kan
blijven en dat het inleidend beroep van appellant in zoverre
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Onder analoge toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge
artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing
is, betekent het vorenstaande dat het bij de rechtbank ingediende
beroepschrift, voorzover betrekking hebbend op de hiervoor omschreven
primaire besluitvorming, dient te worden doorgezonden aan gedaagde ter
behandeling als bezwaarschrift.
Ten aanzien van de weigering appellant kinderbijslag te verstrekken,
overweegt de Raad het volgende.
Gelet op het voorgaande beperkt het geschil zich tot het recht op
kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2002.
Tussen partijen is niet in geschil dat Abdelaziz ten tijde van belang
niet behoorde tot het huishouden van appellant. Dit betekent dat
appellant, wil hij voor kinderbijslag in aanmerking komen, op voor
gedaagde eenvoudig controleerbare wijze dient aan te tonen dat hij in
het desbetreffende kwartaal voor minimaal € 373,- in het onderhoud van
Abdelaziz heeft bijgedragen. Dit bedrag dient te worden overgemaakt aan
het kind of de verzorger van het kind. Daarbij gaat gedaagde er thans
vanuit dat de bijdrage ook mag worden overgemaakt aan een
medebewoner/-verzorger die met de verzorger een gezamenlijke huishouding
voert.
Blijkens de gedingstukken heeft appellant op 23 januari 2002 per
postwissel een bedrag van € 102,05 overgemaakt aan zijn schoonvader, [schoonvader]. Op 19 maart
2002 heeft appellant per postwissel een bedrag van € 357,37
overgemaakt aan zijn neef, [neef].
Niet is gebleken dat genoemde begunstigden zijn aan te merken als
medebewoners van de verzorgster van Abdelaziz, die met deze verzorgster
een gezamenlijke huishouding voeren.
Gelet op hun respectieve woonadressen acht de Raad het bestaan van een
dergelijke situatie ook niet aannemelijk. Reeds op deze grond kan worden
gesteld dat niet aan de onderhoudsplicht in de zin van de Algemene
kinderbijslagwet en het daarop gebaseerde beleid is voldaan. Daarbij
komt dat de overgemaakte bedragen, afzonderlijk beschouwd, ook onder de
minimaal vereiste onderhoudsbijdrage blijven.
Dit betekent dat gedaagde op goede gronden heeft geconcludeerd dat
appellant niet heeft aangetoond dat hij in belangrijke mate in het
onderhoud van Abdelaziz heeft bijgedragen.
In de stelling van appellant dat het voor hem onmogelijk is aan de eisen
met betrekking tot de wijze van betaling te voldoen en dat zijn
echtgenote niet in staat is naar de bank te gaan, ziet de Raad in de
gegeven omstandigheden geen grond voor het oordeel dat gedaagde van zijn
beleid ten aanzien van de controleerbaarheid van de onderhoudsbijdrage
had moeten afwijken in die zin dat gedaagde had moeten besluiten dat
deze bijdrage ook aan niet tot het huishouden behorende familieleden had
mogen worden overgemaakt zonder het recht op kinderbijslag in gevaar te
brengen.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft
besloten dat appellant over het eerste kwartaal van 2002 geen recht
heeft op kinderbijslag voor Abdelaziz. De aangevallen uitspraak kan in
zoverre worden bevestigd.
Het voorgaande leidt tot het volgende oordeel. De aangevallen uitspraak
wordt vernietigd, voorzover deze betrekking heeft op de hiervoor
omschreven primaire besluitvorming.
Het inleidend beroep wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Voor
het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Op basis van de op dit moment voorhanden gegevens overweegt de Raad,
thans geheel ten overvloede, dat hem hetgeen de rechtbank ten aanzien
van de overige in beroep beoordeelde kwartalen heeft overwogen rechtens
niet onjuist voorkomt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten
worden begroot op € 322,- in eerste aanleg en op € 322,- in hoger
beroep als kosten van verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij is geoordeeld
over het recht op kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van
2002;
Verklaart appellant in zoverre niet-ontvankelijk in zijn inleidend
beroepschrift;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Gelast dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het griffierecht
van € 116,- vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Broier
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) P.H. Broier.
|
|