|
Uitspraak
01/5529 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2001, nummer AWB 01/449 AKW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is - gevoegd met de gedingen onder nummer 01/6421, 02/316,
02/1912, 02/5069 en 03/2619 AKW - behandeld ter zitting van de Raad op
25 juni 2004, waar namens appellant is verschenen mr. De Roy van
Zuydewijn voornoemd en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. T.E.C.
Werner-de Buck en C.J. Siemerink, beiden werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft desgevraagd aan de Raad
stukken met betrekking tot Verdrag 118 betreffende gelijkheid van
behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de
sociale zekerheid van 28 juni 1962, Trb. 1964, 23 (hierna: IAO-verdrag
118) toegestuurd.
Gedaagde heeft bij brief van 6 januari 2006 een nadere vraag van de Raad
beantwoord.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari
2006, waar voor appellant wederom is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn,
voornoemd, terwijl voor gedaagde zijn verschenen mr. P.C.J. van de Nes
en H. van der Most, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is in 1958 in Afghanistan geboren. Begin 1995 is appellant
voor een stage vanuit Pakistan naar Nederland gekomen. Op 13 juli 1995
heeft hij verzocht om toelating als vluchteling en om een vergunning tot
verblijf. Deze aanvragen zijn bij besluit van 15 augustus 1995
afgewezen. Bij besluit van 8 oktober 1996 is het bezwaar tegen het
besluit van 15 augustus 1995 ongegrond verklaard en is aan appellant een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend. In oktober 1998 is aan
appellant de zogenoemde C-status verleend. Hierna is hij pogingen gaan
ondernemen om zijn gezin naar Nederland te laten overkomen. Bij besluit
van 8 oktober 1999 is appellant alsnog als vluchteling tot Nederland
toegelaten. Bij brief van 29 augustus 2000 heeft de Visadienst aan
appellant bericht dat zij aan de Nederlandse vertegenwoordiging te
Islamabad heeft laten weten dat er geen bezwaar bestaat tegen de afgifte
van een machtiging tot voorlopig verblijf aan appellants echtgenote en
haar kinderen. Appellants echtgenote en kinderen zijn in november 2000
in Nederland aangekomen. Bij brief van 3 november 2000 is aan appellant
meegedeeld dat aan hem het Nederlanderschap is verleend.
Appellant heeft in maart 2000 kinderbijslag voor zijn vijf kinderen
aangevraagd.
Bij besluit van 26 juni 2000 heeft gedaagde appellant kinderbijslag
geweigerd over het vierde kwartaal van 1999 omdat de kinderen op de
peildatum van dat kwartaal niet tot appellants huishouden behoorden en
appellant niet heeft kunnen aantonen aan de onderhoudseis te hebben
voldaan. Bij besluit van diezelfde datum heeft gedaagde, onder
verwijzing naar de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU), appellant
kinderbijslag geweigerd met ingang van het eerste kwartaal van 2000.
Bij besluit van 21 december 2000 (hierna: het bestreden besluit) is het
bezwaar tegen de besluiten van 26 juni 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Ten aanzien van het vierde kwartaal van 1999 heeft de
rechtbank overwogen dat terecht kinderbijslag is geweigerd omdat
appellants kinderen niet tot zijn huishouden behoorden en appellant
evenmin heeft voldaan aan de onderhoudseis. Met betrekking tot het
eerste kwartaal van 2000 en verder is de rechtbank van oordeel dat de
weigering om kinderbijslag toe te kennen niet in strijd is met
IAO-verdrag 118 noch met artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177 (hierna: IVBPR).
Namens appellant is in hoger beroep met betrekking tot het vierde
kwartaal van 1999 aangevoerd dat hij in 1999 met zijn echtgenote en
kinderen één huishouden vormde. Door het vertrek van appellant naar
Nederland zijn de banden met zijn gezin niet verbroken. Voorzover er
door een beroep te doen op vluchtelingenschap een breuk in het
huishouden is ontstaan, is die breuk door de hereniging van appellant
met zijn gezin eind 1997, toen hij zijn gezin in Pakistan bezocht, dan
wel in 1998, toen hij stappen ging ondernemen om zijn gezin naar
Nederland te laten overkomen, geheeld. Ten aanzien van de periode vanaf
het eerste kwartaal van 2000 is namens appellant allereerst betoogd dat
hij, nu hij over het vierde kwartaal van 1999 recht heeft op
kinderbijslag, onder het overgangsrecht van de Wet BEU valt. Voorts is
aangevoerd dat de Wet BEU buiten toepassing dient te blijven wegens
strijd met de artikelen 4 en 6, gelezen in samenhang met artikel 10, van
IAO-verdrag 118 en met de artikelen 26 van het IVBPR en 14 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (hierna: EVRM).
Daarnaast is zowel met betrekking tot het vierde kwartaal van 1999 als
ten aanzien van de periode vanaf het eerste kwartaal van 2000 een beroep
gedaan op het Verdrag inzake de rechten van het kind, Trb. 1990, 170
(hierna: IVRK).
De Raad overweegt het volgende.
Ten aanzien van het vierde kwartaal van 1999
Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet, wanneer een vluchteling
onder achterlating van zijn gezin in het land van herkomst - of in een
ander land - naar Nederland komt met de intentie niet terug te keren
naar het land waar zijn gezin verblijft, in het algemeen een voorlopig
blijvende breuk in diens huishouden worden verondersteld aanwezig te
zijn. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering wanneer gesteld kan
worden dat de betrokkene betrekkelijk spoedig na zijn aankomst in
Nederland reële stappen heeft ondernomen welke ertoe kunnen leiden dat
ook zijn echtgenote en kinderen naar Nederland kunnen komen. In dat
geval wordt een breuk in het huishouden, bij wege van fictie, geacht
niet te hebben plaatsgevonden. De beoordeling of sprake is van een
situatie als hiervoor omschreven dient te geschieden aan de hand van
alle relevante omstandigheden. Voorts is inherent aan het aannemen van
een fictie als hiervoor bedoeld dat deze na verloop van een zekere
tijdspanne niet meer aangenomen kan worden, waarbij niet van belang is
of de betrokkene ter zake van dat tijdsverloop enig verwijt kan worden
gemaakt. Naar het oordeel van de Raad dient het voorgaande evenzeer te
gelden voor gevallen als het onderhavige, waarin iemand onder
achterlating van zijn gezin naar Nederland komt voor een stage en na
afloop van die stage asiel aanvraagt.
De Raad stelt vast dat appellant in januari 1995 naar Nederland is
gekomen en vervolgens in juli 1995 onder meer heeft verzocht om
toelating als vluchteling. Bij besluit van 8 oktober 1996 is aan
appellant een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend. In
oktober 1998 is aan appellant de zogenoemde C-status verleend. Hierna is
hij pogingen gaan ondernemen om zijn gezin naar Nederland te laten
overkomen. Op 29 augustus 2000 is de gevraagde machtiging verleend.
Appellants echtgenote en kinderen zijn in november 2000 in Nederland
aangekomen
De Raad is, gelet op het tijdsverloop tussen de komst van appellant naar
Nederland - op eigen initiatief - in 1995 en de vervolgens door hem
verrichte activiteiten strekkende tot toelating als vluchteling en vanaf
1998 tot gezinshereniging, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat
appellant aldus voldoende spoedig na zijn komst naar Nederland reële
stappen heeft ondernomen om ook zijn gezin naar Nederland te laten
komen, zodat het aannemen van een uitzonderingssituatie als hiervoor
omschreven niet gerechtvaardigd is te achten.
Dit betekent dat appellant slechts aanspraak kan maken op kinderbijslag
voor zijn kinderen over het vierde kwartaal van 1999 wanneer hij in
belangrijke mate, dat wil zeggen ten minste voor een bedrag van f 778,-
(€ 353,04) per kind per kwartaal, heeft bijgedragen in het
levensonderhoud van die kinderen. Blijkens vaste rechtspraak van de Raad
dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan
eenvoudig te controleren wijze aan te tonen dan wel aannemelijk te maken
dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kinderen heeft voldaan
aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage. Appellant heeft zijn
stelling dat hij zijn gezin is blijven onderhouden op geen enkele wijze
onderbouwd. De weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van
1999 is derhalve in overeenstemming met het nationale recht. Naar het
oordeel van de Raad is de weigering evenmin in strijd met bepalingen van
internationaal recht. Ten aanzien van appellants beroep op het IVRK is
de Raad van oordeel dat dit beroep faalt, reeds omdat het onvoldoende is
onderbouwd.
Ten aanzien van de periode vanaf het eerste kwartaal van 2000
Op 1 januari 2000 is de Wet BEU in werking getreden. Bij deze wet is aan
de AKW een nieuw artikel 7b toegevoegd. Dit artikel luidt, voorzover van
belang, als volgt:
"1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde die op de
eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Evenmin
heeft de verzekerde recht op kinderbijslag ten behoeve van het eigen
kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, indien dat kind op de eerste
dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde dan wel
dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
(...)
6. Onze Minister maakt de landen bekend waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
kinderbijslag kan bestaan."
Artikel XIII van de Wet BEU bepaalt, voorzover van belang, het volgende:
"Artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet is gedurende drie
jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op:
(...)
b. de verzekerde, voorzover die over het kwartaal voorafgaand aan de dag
van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van
het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, dat op de laatste
dag van dat kwartaal niet in Nederland woont."
Zoals hiervoor aangegeven heeft gedaagde op goede gronden besloten
appellant over het vierde kwartaal van 1999 geen kinderbijslag toe te
kennen. Appellant valt derhalve niet onder de overgangsregeling van de
Wet BEU en artikel 7b van de AKW is onverkort op hem van toepassing.
Appellants kinderen woonden ten tijde hier van belang allen in Pakistan.
Pakistan is geen land als bedoeld in artikel 7b, tweede en zesde lid,
van de AKW, waarin op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan. De
weigering om met ingang van 1 januari 2000 kinderbijslag te verstrekken
is derhalve in overeenstemming met het nationale recht.
Vervolgens rijst de vraag of de door appellant aangehaalde bepalingen
van internationaal recht zich verzetten tegen gedaagdes weigering om met
ingang van het eerste kwartaal van 2000 kinderbijslag aan hem toe te
kennen.
Ten aanzien van het beroep op IAO-verdrag 118 overweegt de Raad als
volgt.
Artikel 4 bepaalt, voorzover van belang, het volgende:
"1. Met betrekking tot het genot der uitkeringen moet gelijkheid
van behandeling verzekerd worden zonder woonplaatsvereiste. Zij kan
echter van een woonplaatsvereiste afhankelijk worden gesteld ten aanzien
van de uitkeringen van een bepaalde tak van sociale zekerheid wat
betreft de onderdanen van elk Lid wiens wettelijke regeling de
toekenning van uitkeringen van dezelfde tak afhankelijk stelt van het
vereiste van woonplaats op diens grondgebied.
(...)"
In zijn uitspraak van 17 september 2004, USZ 2004/334 heeft de Raad
overwogen dat deze bepaling alleen ziet op directe discriminatie naar
nationaliteit en niet ook op indirecte discriminatie naar nationaliteit.
De Wet BEU maakt geen direct onderscheid naar nationaliteit. Reeds
hierom dient appellants beroep op artikel 4 te falen.
Artikel 6 van IAO-verdrag 118 bepaalt het volgende:
"Benevens het in artikel 4 bepaalde moet elk Lid dat de
verplichtingen van dit Verdrag voor de gezinsuitkeringen heeft aanvaard,
zowel aan zijn eigen onderdanen als aan de onderdanen van ieder ander
Lid dat de verplichtingen van dit Verdrag voor dezelfde tak van sociale
zekerheid heeft aanvaard, bovendien waarborgen het genot van
gezinsuitkeringen met betrekking tot kinderen die op het grondgebied van
een van deze Leden wonen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door
de betrokken Leden in gemeenschappelijk overleg vast te stellen."
Naar het oordeel van de Raad legt deze bepaling niet een nauwkeurige en
onvoorwaardelijke verplichting op aan elk Lid dat de verplichtingen van
IAO-verdrag 118 voor de gezinsuitkeringen op zich heeft genomen om aan
de eigen onderdanen en aan onderdanen van ieder ander Lid dat de
verplichtingen van het verdrag voor de gezinsuitkeringen heeft aanvaard,
export van gezinsuitkeringen te verzekeren met betrekking tot kinderen
die op het grondgebied van een van deze Leden wonen. Daarbij acht de
Raad van belang dat uit de tekst van artikel 6 blijkt dat de toepassing
van dit artikel afhankelijk is van nadere afspraken tussen de leden van
de IAO onderling. De Raad wijst hierbij voorts op hetgeen het Comité
van Deskundigen van de IAO in paragraaf 108 van zijn “General Survey
of the Reports relating to the Equality of Treatment (Social Security)
Convention, 1962 (No. 118)” voor de 63e conferentie van de IAO in 1977
over dit artikel heeft gezegd:
"The report of the Committee on Social Security at the 46th Session
of the Conference indicated that the aim of the Article was not to
establish “a direct obligation arising only from the ratification of
the Convention, but merely an indirect obligation, conditional on the
conclusion of agreements among the member States concerned as to the
conditions and the limits within which the guarantee referred to should
be applied."
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat artikel 6 van
IAO-verdrag 118 niet geacht kan worden een eenieder verbindende bepaling
te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet die in
beginsel door de burger voor de rechter kan worden ingeroepen.
Ten aanzien van appellants beroep op artikel 6 gelezen in samenhang met
artikel 10, eerste lid van IAO-verdrag 118, waarin is bepaald dat de
bepalingen van dit Verdrag op vluchtelingen en staatlozen van toepassing
zijn zonder voorwaarden van wederkerigheid, overweegt de Raad dat
laatstgenoemde bepaling er niet toe leidt dat artikel 6 ten aanzien van
vluchtelingen wel rechtstreekse werking heeft.
De Raad acht de weigering van kinderbijslag met ingang van het eerste
kwartaal van 2000 evenmin in strijd met de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR.
In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 17 september
2004, reeds hiervoor aangehaald. Het beroep op het IVRK faalt reeds
omdat het onvoldoende is onderbouwd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Broier
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) P.H. Broier.
|
|