|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5157 AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 augustus 2004, 04/5157
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 7 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de
taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale
Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2006, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.W. van Eeuwijk,
advocaat te Utrecht. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
G. van der Schuur.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of appellant over het
eerste kwartaal van 2003 recht heeft op kinderbijslag voor zijn kinderen
El Mustapha, Chaimae en Marouane. Tussen partijen is niet in geschil dat
deze kinderen, die in Marokko verblijven, gedurende dit kwartaal niet
behoorden tot het huishouden van appellant. Dit betekent dat appellant
een onderhoudsbijdrage in het levensonderhoud van El Mustapha, Chaimae
en Marouane dient aan te tonen.
Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of appellant over het
in geding zijnde kwartaal heeft voldaan aan de bij en krachtens de AKW
gestelde voorwaarde dat hij voornoemde kinderen in belangrijke mate, dat
wil zeggen voor een bedrag van tenminste € 386,-- per kind per
kwartaal, heeft onderhouden. Blijkens vaste rechtspraak van de Raad
dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan
eenvoudig te controleren wijze -met name door middel van internationale
postwissels of bankoverschrijvingen ten name van de persoon die de
kinderen verzorgt- aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij
voor zijn niet in Nederland verblijvende kinderen heeft voldaan aan de
voor hem geldende onderhoudsbijdrage.
Door appellant zijn bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat op 28
januari 2003 € 952,94 is overgemaakt aan mevrouw [naam mevrouw 1] en
op 28 februari 2003 € 1020,-- is overgemaakt aan mevrouw [naam mevrouw
2]. De Svb heeft naar het oordeel van de Raad eerstgenoemd bedrag
terecht niet bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag
betrokken, omdat niet is gebleken dat mevrouw [naam mevrouw 1] als
(mede)verzorgster van de kinderen is aan te merken.
De Raad neemt hierbij onder meer de resultaten van het door de Svb
verrichte buitendienstonderzoek in aanmerking.
De Raad stelt voorts vast dat het bedrag van € 1020,-- plus € 10,--
aan overmakingskosten onvoldoende is om aan de hiervoor omschreven
onderhoudseis te voldoen. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Svb
terecht geweigerd heeft appellant over het eerste kwartaal van 2003
kinderbijslag toe te kennen.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet kan
slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 7 april 2006.
(get.) H.J. Simon.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|