|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/886
AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats]
(hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2004,
04/2921 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 26 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft enkele nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006.
Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen
door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Bij formulier gedagtekend 24 februari 2004 heeft appellante
kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van haar [naam zoon]naam zoon],
geboren in 1966. In bezwaar heeft appellante aangegeven dat zij
aanspraak maakt op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 1982.
Bij besluit van 11 juni 2004 heeft de Svb gehandhaafd het besluit van 6
april 2004, waarbij is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op
kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2003. Opgemerkt wordt dat er
geen sprake is van een bijzonder geval. De terugwerkende kracht van het
eventuele recht is derhalve maximaal één jaar. Bij de beoordeling
vanaf het eerste kwartaal van 2003 geldt dat [naam zoon] op dat moment
ouder was dan 18 jaar. Vanaf 1 januari 1996 bestaat voor kinderen ouder
dan 18 jaar geen recht meer op kinderbijslag. [Naam zoon] kan niet meer
vallen onder de overgangsregeling. Derhalve is volgens de Svb terecht
kinderbijslag geweigerd.
De rechtbank heeft het besluit van de Svb, op de daaraan ten gronde
gelegde motivering, onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante haar eerder naar voren gebrachte
grieven herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de
daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger
beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes
stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de
Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen
uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 26 januari 2007.
(get.) H.J. Simon.
(get.) P.H. Broier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van
verzekerden.
|
|