|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/1260
AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2006,
05/5695 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 15 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer, hoger
beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hemelaar,
voornoemd. Voor de Svb is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of de Svb zich op goede
gronden bij zijn besluit op bezwaar van 11 juli 2005 op het standpunt
heeft kunnen stellen dat de inmiddels overleden partner van appellant
vanaf het eerste kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van
2005 geen ingezetene van Nederland was in de zin van artikel 2 van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en deswege in verband met het bepaalde
in artikel 6, aanhef en onder a, van de AKW geen aanspraak kon maken op
kinderbijslag.
Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezeten degene die in Nederland
woont. De vraag of appellants partner op de peildata in Nederland woonde
wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de
omstandigheden beoordeeld. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarbij
in het bijzonder van belang in welke mate sprake is van een juridische,
economische en sociale binding met Nederland. Op het moment dat aan de
hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het
maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden
aangenomen dat betrokkene woonplaats in Nederland heeft.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de partner van appellant
vanaf 15 januari 2005 een zwakke juridische binding met Nederland had.
Aan haar is op 15 januari 2005 een verblijfsvergunning verleend van 28
juli 2003 tot 28 juli 2005 onder de beperking “verblijf vanwege
medische noodsituatie van (haar kind) [naam kind]” en onder vermelding
“arbeid niet toegestaan”. Voor 15 januari 2005 beschikte zij niet
over een verblijfsvergunning. Ook in het geval er rekening zou moeten
worden gehouden met de terugwerkende kracht van de vergunning, zoals
door appellant bepleit, blijft staan dat, gelet op de beperking
waaronder deze vergunning is verleend, er sprake zou zijn geweest van
een zwakke juridische binding van de partner van appellant in de periode
gelegen voor 15 januari 2005. Dat er uitzicht bestond op inwilliging van
de asielaanvraag, gedateerd 25 november 2002, van de partner van
appellant maakt dit niet anders.
De omstandigheid dat, naar appellant heeft gesteld, zijn partner voor de
uitoefening van haar gezinsleven was aangewezen op Nederland, brengt
geen ingezetenschap met zich. Hierbij komt dat de partner van appellant
geen sterke economische binding en evenmin een sterke sociale binding
met Nederland had. De Raad volstaat dienaangaande met te verwijzen naar
hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 februari 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) D. Olthof.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
|
|