|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/1889
AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 februari 2006,
05/169 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 1 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dodrecht, hoger
beroep ingesteld. Bij schrijven van 9 mei 2006 zijn namens appellante de
gronden van het hoger beroep ingediend.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker,
voornoemd. De Svb heeft zich met voorafgaand schriftelijk bericht niet
doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of
appellante op de peildatum van het derde kwartaal 2004 als verzekerd in
de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig
de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Niet in geschil is dat appellante op de peildatum niet ter zake van in
Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was
onderworpen.
Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland
woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de
AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden
beantwoord. Naar constante jurisprudentie van de Raad is daarbij in het
bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische
en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen
moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt
van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn
gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde
peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig
was dat appellante als ingezetene kan worden beschouwd.
Naar het oordeel van de Raad had appellante, die sedert 23 oktober 2000
in Nederland verblijft, een zwakke juridische binding aangezien aan haar
op 24 oktober 2003 een verblijfsvergunning is toegekend voor bepaalde
tijd voor medische behandeling over de periode 10 oktober 2003 tot 10
oktober 2004. De beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden
duidt namelijk op een tijdelijk verblijf in Nederland.
Voorts verbleef appellante op de peildatum in een asielzoekerscentrum op
grond waarvan zij recht had op zak- en kleedgeld. Omdat appellante niet
beschikte over zelfstandige woonruimte en over een volwaardige bron van
inkomsten kan naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden
dat er een economische binding met Nederland aanwezig was.
Ten aanzien van de sociale binding van appellante met Nederland op de
peildatum is de Raad van oordeel dat deze zwak is omdat appellante geen
familie in Nederland heeft, zij geen lid was van een vereniging of
kerkgenootschap en geen (inburgerings)cursus of andere opleiding
volgde.
Aan het bovenstaande kan niet afdoen het feit dat appellante reeds drie
jaar in Nederland verbleef. Hoewel een gerealiseerde verblijfsduur van
drie jaar in het kader van de juridische binding een positieve
aanwijzing kan vormen voor het aannemen van ingezetenschap merkt de Raad
op dat in verband met de zwakke sociale binding en het ontbreken van een
economische binding appellante op de peildatum niet als ingezetene kan
worden beschouwd.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat de Svb, de juridische,
economische en sociale binding in onderlinge samenhang bezien, terecht
en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent
dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 1 maart 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
|
|