|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/4919
AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2006, 05/2187 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 11 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 maart 2007 heeft de Svb een vraag van de Raad
beantwoord.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting op 30 maart 2007, waar
zowel appellant als de Svb niet zijn verschenen
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 7 januari 2005 heeft de Svb aan appellant medegedeeld
dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2004 recht heeft op
enkelvoudige kinderbijslag. Bij besluit van eveneens 7 januari 2005
heeft de Svb appellant een waarschuwing gegeven omdat hij niet binnen
vier weken heeft doorgegeven dat zijn dochter, [naam dochter], niet
langer bij hem woont. Deze waarschuwing houdt in dat aan appellant een
boete wordt opgelegd als hij nog een keer een wijziging in zijn
gezinssituatie niet op tijd of correct doorgeeft.
Bij brief gedateerd 21 februari 2005, door de Svb ontvangen per fax op
21 februari 2005 en per post op 25 februari 2005, heeft appellant
bezwaar aangetekend tegen deze besluiten.
Op de vraag van de Svb waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend
heeft appellant geantwoord dat hem door een medewerker van de Svb, die
zijn naam niet wilde noemen, was verteld dat het één en ander in
behandeling was en dat appellant dat diende af te wachten.
De Svb heeft bij beslissing op bezwaar van 5 april 2005 (hierna:
bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 7
januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het bezwaarschrift
te laat is ingediend en niet is gebleken dat zich bijzondere
omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de overschrijding van
de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Naar haar oordeel kan de door appellant aangevoerde reden van
termijnoverschrijding niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een
verschoonbare termijnoverschrijding.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn in bezwaar en beroep verwoorde
standpunt.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft de Svb, bij genoemde
brief van 21 maart 2007, nog opgemerkt dat naar zijn mening artikel 33 van het
Administratief Akkoord (AA) bij het Verdrag inzake sociale zekerheid
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (NTV) niet
van toepassing is op kinderbijslagen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt
de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge
artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van
de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een
bezwaarschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de
termijn is ontvangen.
In dit kader overweegt de Raad dat, anders dan wellicht zou kunnen
worden opgemaakt uit ’s Raads uitspraak van 19 januari 2007 (LJN
AZ6759), artikel 33 AA bij het NTV niet van toepassing is op de
bekendmaking van besluiten ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Nu ook overigens niet is gebleken van redenen om de wijze van
bekendmaking van de besluiten van 7 januari 2005 voor onjuist te houden
en appellant eerst bij brief van 21 februari 2005 bezwaar heeft
aangetekend tegen die besluiten, moet met de rechtbank worden geoordeeld
dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat
om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ingevolge artikel
6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op
grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet
kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim
is geweest. In hetgeen appellant daartoe heeft aangevoerd ziet de Raad
geen aanleiding om in het onderhavige geval de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van
P.H.
Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
|
|