|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/5057
AKW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda 20 juli 2006, 06/800 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB).
Datum uitspraak: 10 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr.drs. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda, hoger
beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. In een later stadium
zijn nog aanvullende bescheiden overgelegd.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mw. mr. P.J.M. Kools,
eveneens advocaat te Breda. De SVB heeft zich doen vertegenwoordigen
door mw. mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de SVB zich
bij het besluit op bezwaar van 5 januari 2006 terecht op het standpunt
heeft gesteld dat appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2005
geen recht heeft op kinderbijslag omdat hij geen ingezetene is in de zin
van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Niet in geschil is dat appellant per voormelde datum niet terzake van in
Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was
onderworpen.
Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland
woont. De vraag waar appellant op de peildatum woonde, wordt voor de
toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar
de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is
daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van
sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met
Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze
criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden
in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in
Nederland heeft.
De Raad is dienaangaande met de rechtbank van oordeel dat op de in
geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met
Nederland dusdanig was dat appellant als ingezetene van Nederland kon
worden beschouwd en overweegt daartoe als volgt.
Weliswaar had appellant te dien tijde een voldoende juridische binding
met Nederland door het bezit van een reguliere verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd, maar zijn economische en sociale binding met Nederland
waren toen beslist zwak te noemen.
Wat dit laatste betreft, beklemtoont de Raad dat appellant destijds geen
zelfstandige woonruimte hier te lande bezat, doch slechts bij familie of
vrienden verbleef, terwijl hij wel een woonhuis te Marokko bezat waar
hij regelmatig en substantieel voor een groot deel van het jaar bij zijn
tweede vrouw en gezin verbleef. Appellant was daarenboven hier toen noch
werkzaam in loondienst dan wel in een eigen zaak, doch genoot een WAO-uitkering.
Het is de Raad niet ontgaan dat appellant in het verleden toen hij nog
bij zijn eerste vrouw verbleef, van wie hij inmiddels gescheiden is,
sterkere banden met Nederland heeft onderhouden, en dat evenmin
uitgesloten is dat in de nabije toekomst de banden met Nederland
andermaal weer aangehaald kunnen worden wanneer hij mogelijk weer over
een zelfstandige woonruimte kan beschikken, zeker wanneer hij daarnaar
ook zijn huidige partner en gezin uit Marokko kan laten overkomen voor
definitieve huisvesting. Een en ander bepaalt evenwel (nog) in genen
dele de situatie per het eerste kwartaal van 2005 en kan dan ook volgens
de Raad hiervoor niet van meewegende betekenis worden beschouwd. De Raad
is evenmin van andere beslissende feitelijke omstandigheden - zoals het
lidmaatschap van appellant van een moskee en het contact met een in
Nederland woonachtige zoon uit zijn eerste huwelijk - gebleken welke per
meerbedoeld kwartaal tot een ander oordeel kunnen leiden.
Gelet op het totaal beeld van al de gegeven factoren blijkens de stukken
en de zitting in onderling verband, ziet de Raad in elk geval
onvoldoende steun voor de zienswijze van appellant dat hij het
middelpunt van zijn maatschappelijk leven per het eerste kwartaal van
2005 in Nederland had en blijft staande dat niet genoegzaam is voldaan
aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de AKW. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Er wordt dan ook beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 10 mei 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip ingezetene.
|
|