|
Uitspraak
97/4596
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
in werking getreden. Krachtens de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Vanwege appellant heeft mr. A.L. Stegeman, advocaat te Roermond, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep
ingesteld van een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond onder
dagtekening 3 april 1997 gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt
verwezen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17
september 1998, waar namens appellant is verschenen mr. Stegeman,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
E.C.H. Kouwenhoven, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant, die een tuinbouwbedrijf exploiteert, heeft ter verkrijging
van premievrijstelling voor werkzaamheden die door scholieren/studenten
in zijn onderneming werden verricht, een veertiental formulieren,
gedagtekend 10, onderscheidenlijk 11 juli 1995, betreffende aan-/afmelding
premievrijstelling scholier/student, aan gedaagdes administrateur
toegezonden. Bij schrijven van 31 juli 1995 is vanwege gedaagde aan
appellant te kennen gegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor
premievrijstelling ingevolge het Besluit Melding Gelegenheidswerk BV
TAB, risicogroep Agrarische Bedrijven, de zogeheten Scholierenregeling,
aangezien evenbedoelde formulieren, waarop als datum van ontvangst door
het desbetreffende GUO-districtskantoor 26 juli 1995 was vermeld, niet
binnen de gestelde termijn van acht dagen waren ingezonden.
Bij het bestreden besluit van 3 januari 1996 heeft gedaagde de door
appellant tegen evenvermelde beslissing ingediende bezwaren ongegrond
verklaard en daarbij in aanmerking genomen - dat appellant heeft gesteld
dat hij, overeenkomstig zijn gewoonte om dergelijke formulieren op
zondag te versturen, de onderhavige formulieren op zondag 16 juli 1995
heeft verzonden, - dat de te late ontvangst van de formulieren op 26
juli 1995 kan zijn veroorzaakt door een vertraging in de bezorging van
het poststuk door PTT of Streekpost, ofschoon een vertraging van circa
anderhalve week zonder reactie of retournering van het stuk niet zeer
aannemelijk is, doch - dat er desondanks sprake is van nalatigheid bij
appellant, in verband waarmede premieplicht moet worden aangenomen,
aangezien hij verantwoordelijk is voor het gehele traject van tijdige
inzending van de formulieren tot het moment waarop deze door het GUO
worden ontvangen.
Van de zijde van appellant is, voor zover hier van belang, naar voren
gebracht - dat eerderbedoelde formulieren tijdig zijn verzonden,
aangezien appellants echtgenote, naar blijkt uit een door haar
opgestelde schriftelijke verklaring, de aan het GUO geadresseerde en
gefrankeerde envelop met die formulieren op 16 juli 1995 heeft
gedeponeerd in een brievenbus van de PTT, - dat het door het GUO
geplaatste datumstempel van ontvangst niet kan dienen als bewijs voor de
(niet tijdige) verzending van het poststuk, maar - dat daartoe - mede -
zou moeten worden gelet op het poststempel op de enveloppe, - dat zulks
echter niet mogelijk is, aangezien het GUO de envelop heeft vernietigd.
Hetgeen van de zijde van gedaagde in het verweerschrift en ter zitting
van de Raad is gesteld, kan aldus worden verstaan, dat ingevolge
voornoemde Scholierenregeling als voorwaarde voor het verlenen van
premievrijstelling geldt, dat de desbetreffende meldingsformulieren
binnen acht dagen na de aanvang van de werkzaamheden moeten worden
toegezonden aan het betreffende GUO-districtskantoor en dat het risico
van een niet tijdige ontvangst rust op de aanvrager, die een dergelijk
risico kan vermijden door de stukken aangetekend te verzenden.
De Raad overweegt dienaangaande dat appellant er terecht van uitgaat dat
de eis inzake de melding binnen 8 dagen na de aanvang van werkzaamheden
ziet op de verzending van de desbetreffende gegevens. Zulks is immers
uitdrukkelijk vermeld op meerbedoeld meldingsformulier, dat tevens deel
uitmaakt van stukken die ter informatie aan belanghebbenden worden
toegezonden.
Dat betekent dat, indien een formulier wordt ontvangen nadat
eerderomschreven termijn van acht dagen en een termijn voor een
gebruikelijk te achten postverwerking zijn verstreken, een op de
enveloppe geplaatst poststempel uitkomst kan verschaffen aangaande de
vraag of de verzending tijdig is geschied. Wel bestaat daarbij het
risico dat de stempeling van de envelop die duidelijkheid niet geeft, in
welk geval de aanvrager een tijdige verzending anderszins aannemelijk
zal moeten maken. Gezien het voorgaande kan echter niet in redelijkheid
worden staande gehouden dat indien - zoals in het onderhavige geval - de
enveloppe door toedoen van het betrokken bestuursorgaan zelf niet meer
beschikbaar is, de aanvrager alsnog aannemelijk dient te maken dat hij
tijdig heeft verzonden. In een dergelijke situatie kan het
bestuursorgaan het niet tijdig indienen van een meldingsformulier
slechts hanteren als grond voor het weigeren van premievrijstelling,
indien vanwege het bestuursorgaan een te late verzending kan worden
aangetoond.
Nu dit laatste in casu niet het geval is, moet worden geoordeeld dat
gedaagde op onjuiste grond heeft geweigerd de formulieren in behandeling
te nemen en aan appellant premievrijstelling te verlenen en komt het
bestreden besluit ingevolge artikel 4:16, thans artikel 3:46, van de
Algemene wet bestuursrecht in aanmerking voor vernietiging. Hieruit
volgt dat ook de aangevallen uitspraak niet kan worden gehandhaafd.
In verband met het vorenoverwogene worden termen aanwezig geacht om
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten
zijn begroot op f 1.420,-- aan kosten van rechtsbijstand, verleend in
het geding in eerste aanleg, en op eenzelfde bedrag aan kosten van
rechtsbijstand, verleend in het geding in hoger beroep. Van andere voor
vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Ten slotte wordt vastgesteld dat het door appellant in het geding in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde
dient te worden vergoed.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit en
verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;
Veroordeelt het Lisv in de kosten van gedaagde tot een bedrag van f
2.840,--;
Bepaalt dat het Lisv aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage
van f 210,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, als voorzitter en door
mr B.J. van der Net en mr H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van B. Goos als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 1998.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) B. Goos.
|
|