|
Uitspraak
97/9754
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., kantoor houdende te B., appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is bij gemachtigde mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat te Rotterdam,
op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 4 november 1997
aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 29 augustus 1997
tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is onder dagtekening 13 maart 1998 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 november
1998, waar namens appellant is verschenen mr. J.C. Hupkes, advocaat en
kantoorgenoot van appellant, en waar gedaagde, zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. F.M.S. Broekmeulen-Requisizione, werkzaam bij
Gak Nederland B.V..
II. MOTIVERING
Bij besluit van 10 oktober 1995 heeft gedaagde verzekeringsplicht
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen ten aanzien
van C. (hierna: C.) in verband met zijn werkzaamheden voor appellant
die, een advocatenkantoor exploiteert, en deswege krachtens de ter zake
geldende wettelijke regelingen premies vastgesteld over het jaar 1992.
Bij het bestreden besluit van 21 mei 1996 heeft gedaagde de vanwege
appellant tegen voormeld besluit aangevoerde bezwaren ongegrond
verklaard en dat besluit ongewijzigd gehandhaafd.
Voor de beoordeling van dit geding acht de Raad de volgende feiten en
omstandigheden van belang, die de Raad ontleent aan de gedingstukken en
de verklaringen van appellants gemachtigde ter zitting.
Appellant heeft in 1992 ten behoeve van het invoegen van supplementen in
losbladige juridische uitgaven van hem en zijn kantoorgenoten, C.
ingeschakeld, die toen rechtenstudent was. C. vervoegde zich, wanneer
hem dat uitkwam, bij de administratie van appellant, die toen uit twee
personen bestond, onder wie de chef administratie, waar de binnengekomen
supplementen werden opgeslagen. Hij pakte dan een aantal supplementen en
voegde deze in, in de op de gangen van het kantoor en op de kamers van
de advocaten aanwezige losbladige uitgaven. Dit deed hij in de regel in
de kelder van het kantoorpand. Per gewerkt uur ontving C. f 10,--.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat vorenbedoelde
werkzaamheden zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, aangezien aan alle vereisten voor het bestaan daarvan
is voldaan.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde dat de arbeidsverhouding
tussen appellant en C. moet worden aangemerkt als een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, die voor appellant
verzekeringsplicht in eerdervermelde zin meebracht, onderschreven.
Van de zijde van appellant is in hoger beroep, kort weergegeven, naar
voren gebracht dat er nimmer een gezagsverhouding heeft bestaan tussen
C. en hem, aangezien er geen enkele vorm van toezicht of controle
bestond op het verrichten van de werkzaamheden en er geen gehoudenheid
bestond opdrachten en aanwijzingen van appellant op te volgen.
De Raad overweegt als volgt.
In het onderhavige geval is sprake van werkzaamheden welke gelet op de
feitelijke gang van zaken bij appellant losgemaakt waren uit appellants
arbeidsorganisatie. Immers, C. kon de werkzaamheden uitvoeren wanneer
hem dat uitkwam en verscheen hij ten burele van appellant dan beperkte
zijn aanwezigheid zich in de arbeidsorganisatie van appellant tot het
ophalen van de supplementen bij de administratie en de losbladige
edities van gangen en kamers. Het eigenlijke invoegwerk vond in de
kelder plaats. Hierbij is niet gebleken dat C. enige aanwijzing van
appellant ontving omtrent de wijze van invoegen dan wel dat hem gezegd
werd welke werken bij voorrang dienden te worden ingevoegd. De Raad
heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van
appellants gemachtigde ter zitting dat ook de chef administratie zich
niet met dit werk bemoeide.
Onder zodanige omstandigheden, die afwijken van de werkomstandigheden
van de reguliere werknemers van appellant, is naar 's Raads oordeel een
gezagsverhouding niet aanstonds aannemelijk en zal het bestaan daarvan
op grond van nadere bijzonderheden en concludente bewijsvoering te dien
aanzien aannemelijk moeten worden gemaakt. Hierin nu acht de Raad
gedaagde niet geslaagd.
De vanwege gedaagde benadrukte en ook door de rechtbank in aanmerking
genomen omstandigheid dat het invoegen van losbladige juridische edities
van wezenlijk belang is voor de bedrijfsvoering van appellant, acht de
Raad nu het invoegen niet aan enig toezicht was onderworpen, een
onvoldoende steekhoudend argument voor het aanwezig achten van een
gezagsverhouding.
In verband met het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat het
bestreden besluit wegens strijd met artikel 3 van de Ziektewet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet voor
vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak kan dan ook
evenmin in stand blijven.
De Raad acht in verband met het vorenstaande termen aanwezig om gedaagde
te veroordelen in de kosten van appellant, welke zijn begroot op f
1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in het geding in eerste
aanleg en op f 1.420,-- als kosten van rechtsbijstand in hoger beroep;
in totaal derhalve f 2.840,--. Van andere voor vergoeding in aanmerking
komende kosten is niet gebleken.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal f 560,--
door gedaagde dient te worden vergoed.
Mitsdien moet worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidende beroep
alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van f 2.840,--;
Bepaalt dat het Lisv aan appellant het betaalde griffierecht van f
560,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H.
Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 1999.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|