|
Uitspraak
97/3350
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
Stichting X, gevestigd te Y, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Krachtens de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en
Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Onder dagtekening 23 januari 1996 heeft appellant aan gedaagde kennis
gegeven van zijn op bezwaar gegeven besluit, dat er onder meer toe
strekt dat gedaagde met ingang van 1 januari 1995 premie verschuldigd is
ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en, voor zover van toepassing, de
Ziekenfondswet ter zake van de werkzaamheden die een aantal zogeheten
uurdocenten verrichtte.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24
februari 1997 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarbij is beslist dat
de uurdocenten die niet werkzaam zijn in het kader van door
ontwikkelingsteams vastgestelde programma's, op grond van artikel 3 van
de toepasselijke sociale werknemersverzekeringswetten verplicht
verzekerd zijn.
Vanwege Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna: Cadans) is tegen die
uitspraak hoger beroep ingesteld op de gronden vermeld in een aanvullend
beroepschrift d.d. 4 september 1997.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni
1998, waar appellant, opgeroepen krachtens artikel 8:59 van de Algemene
wet bestuursrecht (hierna: Awb), zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij Cadans, en waar als
gemachtigden voor gedaagde zijn verschenen mr. P.J. Scheffers, advocaat
te Utrecht, alsmede A.S.J. Flapper, directeur van gedaagde.
Na de behandeling van het geding ter zitting is de Raad gebleken dat het
onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 14
augustus 1998 aan Cadans verzocht te reageren op de stellingen van de
gemachtigde van gedaagde aangaande de ontvankelijkheid van het hoger
beroep.
Bij schrijven d.d. 1 september 1998 is namens Cadans een zodanige
reactie gegeven.
De gemachtigde van gedaagde heeft daarop gereageerd bij schrijven van 23
september 1998.
Bij schrijven van 7 december 1998 zijn naar aanleiding van een verzoek
van de Raad vanwege Cadans nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28
januari 1998, waar appellant, wederom opgeroepen krachtens artikel 8:59
van de Awb, zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Bakker,
werkzaam bij Cadans, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Scheffers,
voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad zal allereerst ingaan op de namens gedaagde aan de orde gestelde
ontvankelijkheidskwestie, betreffende het vanwege Cadans ingestelde
hoger beroep.
Zowel het inleidende beroepschrift d.d. 20 maart 1997, als eerdergenoemd
aanvullend beroepschrift zijn gesteld op naam van Cadans en ondertekend
door een medewerker van deze uitvoeringsinstelling. Genoemde geschriften
bevatten geen verwijzing naar het Lisv, aan welk instituut als
rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke
en Maatschappelijke Belangen per 1 maart 1997 onder meer de bevoegdheid
toekwam tot het instellen van hoger beroep op grond van artikel 18 van
de Beroepswet tegen uitspraken van rechtbanken inzake besluiten van
genoemde bedrijfsvereniging.
Van de zijde van gedaagde is, op hoofdlijnen weergegeven, het volgende
naar voren gebracht.
- Ofschoon de mogelijkheid bestaat dat het Lisv bepaalde wettelijke
bevoegdheden mandateert aan Cadans, blijkt op geen enkele wijze dat
Cadans het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld namens het Lisv.
- Nu derhalve moet worden aangenomen dat Cadans voor zich hoger beroep
heeft ingesteld, moet zij in dat beroep niet-ontvankelijk worden
verklaard, aangezien zij niet kan worden aangemerkt als - belanghebbend
- bestuursorgaan in de betekenis van artikel 18, eerste lid, van de
Beroepswet.
- Daarenboven moet worden geoordeeld dat mandatering door het Lisv van
bevoegdheden aan uitvoeringsinstellingen, juist waar het gaat om het
instellen van hoger beroep, zich niet verdraagt met heersende
bestuursrechtelijke opvattingen inzake het verlenen van mandaat aan
niet-ondergeschikten.
Met betrekking tot het vorenstaande overweegt de Raad in de eerste
plaats, dat blijkens artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Lisv
1997 (welk besluit is gegeven op grond van de artikelen 39 en 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997) het Lisv het nemen van alle
beslissingen in het kader van procedures op grond van de Beroepswet,
waaronder begrepen de vertegenwoordiging van het Lisv in en buiten
rechte, heeft gemandateerd aan de directies van de desbetreffende
uitvoeringsinstellingen. De Raad is, gezien het samenstelsel van
voorschriften, betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van
het Lisv, welke zijn vervat in paragraaf 2 van hoofdstuk 4 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, alsmede gelet op de geschiedenis van de
totstandkoming van die voorschriften, van oordeel dat evengenoemde
mandaatverlening in overeenstemming is met doel en strekking van die
voorschriften. Derhalve kan het laatstvermelde bezwaar van gedaagde geen
doel treffen.
De Raad acht het voorts, in verband met hetgeen van de zijde van Cadans
naar voren is gebracht, niet voor twijfel vatbaar dat het instellen van
het onderhavige hoger beroep is geschied met het oogmerk zulks krachtens
het verleende mandaat te doen namens het Lisv. Aangezien er in verband
met de beschikbare gegevens geen aanleiding zou zijn geweest de
bevoegdheid tot het instellen van het onderhavige beroep in twijfel te
trekken, indien bij de ondertekening van het inleidend beroepschrift en
het aanvullend beroepschrift een verwijzing naar het Lisv als
mandaatgever had plaatsgevonden, resteert de vraag of aan het ontbreken
van zulk een - expliciete - verwijzing de consequentie behoort te worden
verbonden van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Raad is van oordeel dat die vraag in ontkennende zin dient te worden
beantwoordt en overweegt daartoe:
- dat het op grond van de ter zake geldende voorschriften redelijkerwijs
duidelijk kon zijn - en naar blijkt uit hetgeen van de zijde van
gedaagde naar voren is gebracht, voor gedaagde ook duidelijk was - dat
was beoogd het onderhavige beroep in te stellen namens het Lisv;
- dat met het instellen van beroep door Cadans op eigen titel, geen
enkel redelijk doel zou zijn gediend;
- dat de aangevallen uitspraak is gedaan en verzonden, onderscheidenlijk
op 24 en 26 februari 1997, zeer kort voordat het Lisv - op 1 maart 1997-
in de plaats is getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid,
Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, terwijl het beroep kort nadien
-op 20 maart 1997- is ingesteld.
De Raad komt, wat de ontvankelijkheid betreft, dan ook tot de slotsom
dat het niet vermelden van het Lisv als mandaatgever is aan te merken
als een kennelijke misslag en dat het er derhalve voor behoort te worden
gehouden dat het onderhavige beroep namens het Lisv is ingesteld.
Met betrekking tot het geding ten gronde overweegt de Raad het volgende.
De rechtbank heeft zich, kort weergeven, op het standpunt gesteld dat
het door gedaagde, een sociaal-culturele instelling die onder meer op
ideλle basis cursussen voor de bevolking organiseert, geschapen
organisatorisch kader voor de cursussen van te geringe betekenis is voor
de wijze van functioneren van de in dit geding aan de orde zijnde
uurdocenten om een gezagsverhouding aan te nemen. De rechtbank heeft
daartoe verwezen naar uitspraken van de Raad, waarin tot uitdrukking is
gebracht dat sociaal-culturele instellingen als evenbedoeld niet licht
geacht kunnen worden gezag uit te oefenen over de aangezochte docenten.
De Raad onderschrijft deze opvatting van de rechtbank en de op basis
daarvan bij de aangevallen uitspraak gegeven beslissing tot
vernietiging. Met betrekking tot de intussen gevormde jurisprudentie
aangaande de verzekeringsplicht van docenten kan kortheidshalve worden
verwezen naar onder meer 's Raad uitspraak, gepubliceerd in RSV 1998/31.
In verband met het voorafgaande moet worden geoordeeld dat het hoger
beroep niet kan slagen. De Raad merkt daarbij op, dat vanwege appellant
niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag hoe het onderhavige geval zich
verhoudt tot de lijn van evenvermelde jurisprudentie en te kennen is
gegeven dat wordt gerefereerd aan het oordeel van de Raad. De Raad stelt
in verband met het vorenoverwogene op grond van artikel 22, derde lid,
van de Beroepswet, vast dat van appellant een griffierecht van f 675,--
dient te worden geheven.
Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om appellant te veroordelen in
de kosten van gedaagde betreffende het geding in hoger beroep, welke
kosten zijn begroot op f 1.420,--, als kosten van verleende
rechtsbijstand, f 29,-- als reiskosten en f 400,-- als verletkosten.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Lisv een griffierecht van f 675,-- wordt geheven;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
f 1.849,--.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, als voorzitter en door en mr.
A.F.M.
Brenninkmeijer en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van B.
Goos als griffier en uitgesproken in het openbaar 11 maart 1999.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) B. Goos.
|
|