|
Uitspraak
98/4955
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X. B.V., gevestigd te Y., appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij op bezwaar genomen besluit d.d. 26 november 1996 heeft gedaagde zijn
primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat de in de jaren 1990 en 1991
voor appellante werkzame A. werkzaam is op basis van een
privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, en derhalve verplicht verzekerd
is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 14 april
1998 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellante is mr. R.Ph. de Quay, advocaat te Nijmegen, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een
aanvullend beroepschrift d.d. 23 oktober 1998 zijn de gronden voor het
hoger beroep uiteengezet.
Op 29 oktober 1998 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 oktober
1999, waar voor appellante is verschenen drs. M.A.E. Frijters, bijgestaan
door mr. R.Ph. de Quay voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid
doen vertegenwoordigen door mr. M. Ausems, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
A. (hierna: A.) behoort tot een bestand interim-managers waarover
appellante beschikt. Ten tijde hier van belang betrof het ongeveer 80
mensen, inmiddels gaat het om ongeveer 200 personen. Appellante wordt
door opdrachtgevers benaderd om een interim-manager te leveren, waarna
appellante uit haar bestand een interim-manager selecteert, die door
appellante geschikt wordt geacht de desbetreffende taak te vervullen. De
interim-manager is vervolgens feitelijk werkzaam bij de opdrachtgever.
Appellante sluit per opdracht een managementovereenkomst met de
interim-manager, dan wel met de persoonlijke vennootschap van de
interim-manager. In casu contracteerde appellante met A. B.V. (hierna:
de vennootschap).
In de door appellante gehanteerde managementovereenkomst is onder meer
bepaald welk bedrag appellante aan de vennootschap verschuldigd is voor
de verrichte werkzaamheden, de verplichting voor de vennootschap om de
leiding van appellante over de voortgang van de werkzaamheden te
informeren, en overleg te plegen over onderwerpen die de evaluatie van
de opdracht mogelijk moeten maken. Tevens dient de vennootschap zich te
gedragen als een goed vertegenwoordiger van appellante.
In de overeenkomsten tussen appellante en de opdrachtgevers is onder
meer overeengekomen dat de bij de opdrachtgever te verrichten
managementwerkzaamheden worden verricht onder supervisie van appellante,
en dat appellante in de persoon van een schaduwinterim-manager de
interim-manager met raad en daad zal bijstaan.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de arbeidsverhouding tussen A.
en appellante als een privaatrechtelijke dienstbetrekking dient te
worden beschouwd, zodat de interim-managers verplicht verzekerd zijn
ingevolge de werknemersverzekeringswetten.
Appellante heeft dit standpunt primair bestreden met de stelling dat
appellante niet met A. gecontracteerd heeft, doch met de vennootschap.
De Raad is echter met de rechtbank van oordeel dat deze grief geen doel
treft. Weliswaar is er gecontracteerd met de vennootschap, doch
duidelijk is dat slechts A. in persoon de werkzaamheden dient te verrichten. Zulks is
nadrukkelijk bepaald in zowel de contracten tussen appellante en de
opdrachtgevers, als in de contracten tussen appellante en de
vennootschap. Dit ligt ook voor de hand, aangezien de interim-managers
juist geselecteerd worden op hun specifieke geschiktheid voor de
betreffende opdracht.
Gedaagde heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in casu
sprake is van een arbeidsverhouding tussen appellante en A. in persoon.
Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat A. niet werkzaam was
onder gezag van appellante, zodat een essentieel element van de
privaatrechtelijke dienstbetrekking ontbreekt.
Anders dan de rechtbank onderschrijft de Raad dit standpunt van
appellante.
Gelet op de juridische en feitelijke omstandigheden waaronder de
interim-managers werkzaam zijn kan niet gesproken worden van
werkgeversgezag, in die zin dat geregeld werkopdrachten gegeven kunnen worden. De interim-managers zijn belast
met het management bij de opdrachtgever, en voeren die taak geheel naar
eigen inzicht uit. Zij werken ook feitelijk ten kantore van de
opdrachtgever, zodat gezagsuitoefening ook uit dien hoofde niet direct
voor de hand ligt. Voor zover er overleg plaats vindt tussen de
interim-manager en de contactpersoon bij appellante (de schaduwinterim-manager) geschiedt dat bij gelegenheid voornamelijk op
verzoek van de interim-manager zelf, wanneer die behoefte heeft aan
ruggespraak of ondersteuning door appellante of een met appellante
gelieerde onderneming. Gelet op het aantal schaduwinterim-managers
-thans 2- en het aantal interim-managers - thans ongeveer 200 -, is ook
feitelijk niet reλel voorstelbaar dat er werkgeversgezag kan worden
uitgeoefend.
Dat er periodiek evaluatiebesprekingen zijn met de drie betrokken
partijen, en een interim-manager, naar ook feitelijk is gebleken, bij
klachten van een opdrachtgever niet meer ingezet kan worden door
appellante, houdt niet in dat de interim-manager bij uitoefening van
zijn dagelijks werkzaamheden onder werkgeversgezag staat.
Aangezien een essentieel onderdeel van de privaatrechtelijke
dienstbetrekking ontbreekt, kunnen de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit om die reden niet in stand blijven.
De Raad stelt vast dat het door appellante in hoger beroep en in eerste
aanleg betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Tevens acht de Raad termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten van appellante, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep,
welke kosten worden begroot op f 2.840,-- als kosten voor verleende
rechtsbijstand.
Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat het Lisv aan appellante het betaalde griffierecht ten
bedrage van f 1.030,-- vergoedt;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van f 2.840,--.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 1999.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|