|
Uitspraak
98/4071
ALGEM, 99/4420 ALGEM, 98/5362 CSV, 99/5729 ALGEM, 98/5543 ALGEM, 99/5727 ALGEM
en 99/4413 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A B.V., gevestigd te B, appellante 1,
C B.V., gevestigd te D, appellante 2,
E B.V., gevestigd te F, appellante 3,
G B.V., gevestigd te H, appellante 4,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Grafische bedrijfsvereniging. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Appellantes zijn bij gemachtigde mr. drs. J.C.A. van Ruiten, belastingadviseur te Rotterdam, werkzaam bij
Loyens & Volkmaars, op bij de respectieve aanvullende
beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van respectieve uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te
Roermond d.d. 31 maart 1998 (appellante 1), die te Zwolle d.d. 12 mei 1998
(appellante
2), die te Haarlem d.d. 20 juli 1998 (appellante 3) en die te
's-Hertogenbosch d.d. 13 juli 1999 (appellante 4).
Bij deze uitspraken zijn de beroepen van appellantes tegen de
respectieve bestreden, na bezwaar genomen, besluiten d.dis 15 april
1997 (ten name appellantes 1, 2 en 3) en 15 mei 1998 (ten name van
appellante 4) ongegrond verklaard.
In deze besluiten is neergelegd de opvatting van gedaagde dat de door X
in december 1993 aan de werknemers van appellantes betaalde uitkering
van 9,8% van het loon over het jaar 1992, loon uit dienstbetrekking van
appellantes vormt, en derhalve tot het loon behoort waarover premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd is.
Terzake zijn premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
nageheven middels correctienota's, welke nota's gedaagde bij deze
besluiten heeft gehandhaafd. Daarnaast zijn bij de bestreden besluiten
ten aanzien van appellantes 1, 3 en 4 de boetes, opgelegd op grond van
het Loonadministratiebesluit d.d. 28 december 1987, laatstelijk gewijzigd bij
Besluit d.d. 31 maart
1994, Stcrt. 1994, 70, teruggebracht tot nihil. Wel heeft gedaagde ten
aanzien van deze appellantes gehandhaafd de registraties van een
eerste administratief verzuim.
Gedaagde heeft in de gedingen van verweer gediend.
Bij besluiten d.dis 14 december 1998 heeft gedaagde ten aanzien van
appellantes 1, 2 en 3 de correctienota's gematigd met f 50.000,--,
zijnde de maximale matiging bij een lange afhandelingsduur van het
bezwaar, van welke besluiten gedaagde de Raad bij brieven van gelijke
datum, respectievelijk als bijlage bij het verweerschrift, in kennis
heeft gesteld.
De Raad heeft besloten deze nadere besluiten met toepassing van de
artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht te betrekken
in deze procedures.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
27 januari 2000, waar voor appellantes als gemachtigde is verschenen
mr. drs. J.C.A. van Ruiten, belastingadviseur, werkzaam bij Loyens en
Loeff te Rotterdam, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
M.A.J. Berkers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten.
Appellantes, alle behorende tot de grafische sector, waren middels X B.V.
(hierna X) eigendom van X N.V. De werknemers van appellantes waren
gerechtigd tot een winstaandeel, gerelateerd aan de concernwinst, van
maximaal 9,8% van hun jaarsalaris per jaar, terwijl de facto het
winstaandeel de laatste jaren ook naar het maximum werd betaald. In
verband met een voorgenomen aandelenoverdracht van appellantes is het
volgende memo aan de groepsondernemingsraad Grafische Industrie
gezonden:
"Memo
Aan : Groepsondernemingsraad Grafische Industrie
Van : Bestuurder
Betreft : Toezegging inzake winstdelingsregeling
Datum : 16 december 1992
-------------------------------------------------------
Zoals reeds uitvoerig in onze Overlegvergadering toegelicht, is in
verband met de vervreemding van de X Grafische Industrie de noodzaak
ontstaan om een nieuwe eigen grafische winstdelingsregeling te
ontwerpen.
In de ontwerp winstdelingsregeling G.I. is het uit te keren winstbedrag
gebaseerd op de omvang van het door de G.I. te behalen
bedrijfsresultaat.
In de bijlage is een uitgebreide beschrijving van de regeling opgenomen.
De nieuwe winstdelingsregeling wijkt significant af van de huidige
regeling en het huidige uitkeringsniveau zal pas weer gehaald worden
als de G.I. zijn normrendement haalt.
In verband hiermede verplicht X BV zich onherroepelijk, ten behoeve
van de werknemers die per 31 december 1992 in dienstbetrekking werkzaam zijn bij X Grafische
Industrie BV en of de tot haar groep behorende Nederlandse
werkmaatschappijen en die op het moment van de ondertekening van de
verkoopovereenkomst van de aandelen G.I. nog in dienstbetrekking
werkzaam zijn. Jegens de Groepsondernemingsraad Grafische Industrie:
- de nieuwe G.I. winstdelingsregeling te doen ingaan op en
vanaf de datum waarop de verkoopovereenkomst van de aandelen G.I.
wordt getekend;
- aan de hiervoor genoemde werknemers, ter compensatie van
toekomstige inkomensachteruitgang, samenhangende met de wijziging van
de winstdelingsregeling, een eenmalige schadevergoeding uit te keren
ter grootte van 9,8% van het loon of salaris welke zij over 1992 hebben
genoten. De uitkering van deze schadevergoeding zal plaatsvinden
uiterlijk binnen een maand na ondertekening van de
overdrachtsovereenkomst van de aandelen G.I.;
- aan de werknemers, over de periode 1 januari 1993 tot aan
het moment van ondertekening van de overdrachtovereenkomst van de
G.I.-aandelen, ook een winstaandeel toe te kennen overeenkomstig de
huidige X winstdelingsregeling."
De aandelenoverdracht door X N.V. aan I N.V. heeft medio 1993
plaatsgevonden, waarna laatstgenoemde NV naamswijziging heeft
ondergaan tot J N.V.
In december 1993 heeft het X-concern zijn eerder vermelde toezegging
gestand gedaan en aan de werknemers van appellantes 9,8% van het
jaarloon als winstuitkering betaald. Daarnaast hebben appellantes een
winstuitkering verstrekt van 2,2% van het jaarloon.
In hoger beroep is, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg,
primair in geschil of gedaagde de door X betaalde winstuitkering
terecht tot het premieloon van de werknemers heeft gerekend.
De Raad overweegt hierover als volgt.
Artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV)
bepaalt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten.
De enkele omstandigheid dat het bestaan van een dienstbetrekking tot
appellantes het behalen van een voordeel door de werknemers mogelijk
maakte, acht de Raad onvoldoende om de onderhavige door X verstrekte
uitkeringen als loon aan te merken.
Voorop staat dat de vraag beantwoord moet worden of sprake is van loon
dat uit dienstbetrekking wordt genoten.
In dit verband stelt de Raad vast dat de werknemers die de onderhavige
betalingen ontvingen alle in dienstbetrekking stonden en zijn gebleven
tot appellantes. Voorts kan worden vastgesteld dat de uitkering van X
rechtstreeks voortvloeit uit hetgeen in het kader van de
arbeidsovereenkomst nader tussen werkgevers en werknemers is
overeengekomen met betrekking tot de afstoting van de grafische
bedrijven (appellantes) en de gevolgen hiervan voor de bestaande
winstdelingsregeling. De Raad verwijst in dit verband naar het hiervoor
aangehaalde memo aan de groepsondernemingsraad van het X-concern.
Dit betekent dat de thans aan de orde zijnde betaling een uitvloeisel
vormt van de onderhandelingen over de gewijzigde arbeidsvoorwaarden na
de afstoting en als zodanig geïncorporeerd is in de
arbeidsvoorwaarden.
Onder deze omstandigheden is er volgens de Raad geen ruimte voor het
oordeel dat sprake is van een bijkomend voordeel dat wordt behaald,
omdat de dienstbetrekking dat mogelijk maakt. Er is daarentegen naar het
oordeel van de Raad sprake van een voordeel dat rechtstreeks zijn
oorzaak vindt in het verrichten van arbeid door de werknemers ten
behoeve van appellantes. In dit verband acht de Raad ook niet van
belang verstoken dat de door X verstrekte uitkering gerelateerd is aan
het in de dienstbetrekking met appellantes genoten jaarloon.
Appellantes waren bovendien op de hoogte van de verplichting die door
X was aangegaan. Niet alleen X had belang bij de verstrekking van een
eenmalig bedrag ter grootte van 9.8% van het jaarsalaris, doch
appellantes hadden kennelijk ook belang bij een laatste hogere uitkering dan in de toekomst naar alle
waarschijnlijkheid zou volgen,
wegens het vervallen van de winstdelingsregeling van het X-concern. Zij
hebben namelijk ook 2,2% betaald, waardoor de werknemers een uitkering
van 12% ontvingen. Hiermee werd, zoals ook ter zitting van de Raad
nogmaals is toegelicht, een groot belang gediend, namelijk de voorkoming van arbeidsonrust, waardoor de publicatie van vele
tijdschriften geen belemmeringen ondervond.
Daarnaast moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden
dat appellantes hebben meegewerkt aan de verstrekking van de betaling
door X door loongegevens uit hun respectieve loonadministraties te
verstrekken, gelet op de afspraken die met de fiscus werden gemaakt ten
aanzien van de inhouding van loonbelasting door X.
Gelet hierop zou er voor appellantes in de inhoudingssfeer voor de
premieheffing voor de sociale werknemersverzekeringswetten geen
probleem geweest zijn om de verschuldigde premies vast te stellen.
Het voorgaande brengt mee dat de Raad tot de conclusie komt dat gedaagde de door X verrichte betalingen
terecht heeft aangemerkt als
loon in de zin van artikel 4 van de CSV, genoten uit dienstbetrekking
tot de respectieve appellantes. De Raad meent voor zijn oordeel ook
steun te vinden in de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juli 1995, nr 30897, gepubliceerd in BNB 1995, 312 c.
De omstandigheid dat X de onderhavige betalingen niet heeft doorbelast
aan appellantes heeft derhalve niet de betekenis die appellantes hieraan
gehecht wensen te zien.
Appellantes 1, 3 en 4 hebben voorts in hoger beroep de grief herhaald
dat zij de registratie van een eerste verzuim niet juist achten. Te
dien aanzien deelt de Raad het oordeel van de respectieve rechtbanken
en maakt deze oordelen tot het zijne, voorzover het een beroep op het
gelijkheidsbeginsel betreft. Met betrekking tot de namens appellantes
betrokken stelling dat zij een pleitbaar standpunt hebben ingenomen en
deswege gelet op artikel 13 van het thans geldende Besluit toepassing
boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stcrt. 1998, 123) in hun
gevallen een verzuimregistratie (alsnog) achterwege dient te blijven,
overweegt de Raad allereerst dat hij een verzuimregistratie aanmerkt
als een punitieve sanctie, zij het een met een voorwaardelijk karakter,
en hij hiervan uitgaande in het licht van artikel 15, eerste lid, derde
volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten geen beletsel aanwezig acht de in deze gedingen aan
de orde zijnde registraties te toetsen aan voormeld artikel 13. Uit dit
artikel, hoe gebrekkig ook geredigeerd, leidt de Raad af dat in een
situatie waarin een niet volledige opgave voortvloeit uit
"verdedigbare interpretaties" gedaagde niet alleen een boete
achterwege laat maar ook een verzuimregistratie. Mede gelet op de stand
van de jurisprudentie ten tijde hier van belang meent de Raad dat het
door appellantes in deze gedingen ingenomen standpunt kan worden
aangemerkt als een verdedigbare interpretatie. Gelet hierop kunnen de
verzuimregistraties niet in stand blijven.
Gelet op de gewijzigde bedragen van de premiecorrecties, zoals
vastgelegd in de nadere besluiten als vermeld in rubriek I ten aanzien
van appellantes 1, 2 en 3, kunnen de aangevallen uitspraken en de
bestreden besluiten wat betreft de nagevorderde premies en de
verzuimregistratie ten aanzien van appellantes 1, 3 en 4 geen stand
houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellantes 1, 2 en 3, zowel wat betreft de proceskosten voor de
gedingvoering in eerste aanleg als die in hoger beroep.
Tevens dient gedaagde aan appellantes 1, 2 en 3 het griffierecht te
worden vergoed, betaald zowel terzake van de gedingvoering in eerste
aanleg als die in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken van de rechtbanken te Roermond,
Zwolle en Haarlem en de bestreden besluiten van 15 april 1997;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank te
's-Hertogenbosch, voor zover daarbij de verzuimregistratie ten aanzien
van appellante 4 in stand is gelaten;
Vernietigt het bestreden besluit van 13 juli 1999 in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
voor het overige;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van gedaagde d.dis 14 december
1998 ten name van appellantes 1, 2 en 3 ongegrond;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellantes in eerste
aanleg tot een bedrag van f 5.680,-- en in hoger beroep tot een bedrag van f 1.420,--;
Bepaalt dat het Lisv aan appellantes het in eerste aanleg en in hoger
beroep gestorte griffierecht vergoedt ten bedrage van in totaal f
1.095,-- ten behoeve van appellante 1 en f 1.050,-- ten behoeve van elk
van de overige appellantes afzonderlijk.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|