|
Uitspraak
98/2034
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen zijn besluit van 13 december 1996, houdende de
vrijstelling van appellant van de verplichte verzekering ingevolge de
volksverzekeringen, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 12
januari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft bij brieven van 28 april en 1 oktober 1998 nadere stukken
in het geding gebracht en op 9 juni 1998 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni
2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant woont in Nederland. Hij ontvangt sedert 9 maart 1985 een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), welke in 1996 f 782,35 bruto per maand bedroeg, en vanaf 1
januari 1994 tevens een Erwerbsunfähigkeitsrente van de LVA Westfalen
van 1.329,67 DM per maand.
Bij besluit van 13 december 1996 heeft gedaagde appellant op zijn
verzoek ingaande 1 januari 1994 vrijstelling verleend van de verplichte
verzekering ingevolge de volksverzekeringen op grond van het bepaalde in
artikel 24 van het Koninklijk besluit van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna:
KB 164). Daarbij heeft gedaagde het volgende aan appellant medegedeeld:
"Een vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de AOW,
Anw, AKW en AAW kunnen wij u verlenen indien u voldoet aan de
onderstaande voorwaarden, genoemd onder de punten 1 of 2.
(...)
2. a. u woont in Nederland en
b. u verricht hier te lande geen arbeid en
c. u ontvangt duurzaam zowel een uitkering ingevolge een
buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid of ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke
organisatie, als ook een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering en
d. de eerstbedoelde uitkering is groter dan of gelijk aan de Nederlandse uitkering en
e. de uitkeringen tezamen bedragen tenminste 70% van het Nederlandse wettelijk
minimumloon. (Dit minimumloon bedraagt momenteel f 2203,50 per maand.)
Aangezien u aan alle onder punt 2 genoemde voorwaarden voldoet, verlenen
wij u de door u gevraagde vrijstelling."
Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij het niet eens is met de
onder b. genoemde voorwaarde, omdat hem aldus de mogelijkheid wordt
ontnomen nog werkzaamheden in Nederland te verrichten.
Gedaagde heeft dit bezwaar van appellant bij het bestreden besluit
ongegrond verklaard en de rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten.
De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag
of het bezwaar van appellant is gericht tegen een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond
van artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar openstaat.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan:
een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling. Hierbij geldt dat met het begrip
rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling, gericht op rechtsgevolg.
De hiervoor onder b. genoemde voorwaarde is van belang voor gedaagdes
beslissing tot vrijstelling van de verplichte volksverzekeringen, in die
zin dat gedaagde alvorens een beslissing te nemen diende vast te stellen
of appellant op 1 januari 1994 aan die voorwaarde voldeed en voor
vrijstelling in aanmerking kwam. De beslissing omtrent de vrijstelling
is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gedaagdes bezwaren
zijn echter niet gericht tegen deze toepassing van die voorwaarde in het
kader van de verleende vrijstelling, maar hebben betrekking op eventuele
toekomstige gevolgen voor de verleende vrijstelling indien hij
werkzaamheden in Nederland gaat verrichten.
Op dat punt bevat het besluit van 13 december 1996 echter geen
beslissing en in zoverre is het dan ook niet op rechtsgevolg gericht.
Dat betekent tevens dat op dat punt voor appellant geen bezwaar als
bedoeld in artikel 7:1 van de Awb openstond en dat gedaagde het bezwaar
niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen
uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, niet in stand kunnen
blijven. Voorts ziet de Raad voldoende aanleiding om, zelf in de zaak
voorziende, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te
verklaren.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 58,40 aan reiskosten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 215,- aan appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen gedaagdes besluit van 13
december 1996 alsnog niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot f 58,40 te betalen aan appellant;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 215,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr.
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
juli 2000.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|