|
Uitspraak
98/6794
ALGEM, 98/6746 ALGEM en 98/6837 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
VOF X, gevestigd te Y, gedaagde I,
A, h.o.d.n. Q, wonende te Y, gedaagde II,
P B.V., gevestigd te Y, gedaagde III.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant is op de bij aanvullende beroepschriften van 6 oktober 1998 alsmede van 19 januari en 9 februari 1999 aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van de door de Arrondissementsrechtbank
te Breda onder dagtekening 28 juli 1998 tussen partijen gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagden is bij onderscheidene brieven van 5 januari, 13 april en 21 mei 1999 van verweer gediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
13 juli 2000, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. J.E.
Visser, werkzaam bij Gak Nederland B.V. Gedaagden I, II en III hebben
zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door respectievelijk B
en C, vennoten te Y, met bijstand van mr. M.J.J. van Vlokhoven, fiscaal
jurist bij de Hofgroep te Waalwijk (I), onderscheidenlijk A,
bedrijfseigenaar (II), alsmede drs. J.F.A. Verhappen, belastingadviseur
bij BDO-CampsObers (III), beiden te Breda.
II. MOTIVERING
A. Algemeen
Gedaagden I, II en III zijn ondernemingen die als een soort intermediërende
bemiddelingsbureaus ten behoeve van verschillende derden/opdrachtgevers
uit hun uit studenten bestaande bestanden privéchauffeurs voor
diverse rijopdrachten beschikbaar stellen. De betrokken studenten
worden geselecteerd op grond van bevoegdheid blijkens behaald
rijbewijs, op grond van ervaring blijkens meerjarige rijvaardigheid,
al dan niet onderstreept door een rijtest, en op grond van
representativiteit (voorkomen en kleding).
Zij maken, na daartoe van gedaagden ontvangen oproepen voor het rijden
van desbetreffende autoritten bij derden/opdrachtgevers, gebruik hetzij
van de auto van de hen inhurende derden hetzij van een lease-auto van
gedaagden. Gedaagden die chauffeurs, ritten en tijden registreren (via kopieën van bonnenboekjes
e.d.), krijgen de
betalingen binnen van
de opdrachtgevers als tegenprestatie voor de door hen beschikbaar
gestelde privéchauffeurs. Voor hun eigen rijdiensten krijgen de
studenten zelf betaald per gewerkt uur door gedaagden.
B. Bieden de artikelen 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voldoende grond voor
een hierop te baseren verzekeringsplicht van de betrokken
studentenchauffeurs?
Deze primaire vraag doet zich in het bijzonder voor in het geding van
gedaagde III, waarin de verzekeringsplicht van de betrokken
studentenchauffeurs uitgaande van een gezagsverhouding van dezen tot
deze gedaagde door appellant is aangenomen. De rechtbank heeft deze
zienswijze van appellant echter verworpen. Zij heeft daarbij, gelet op
de aard van de werkzaamheden, het feit dat tijdens het vervullen van de
opdrachten gedaagde III geen aanwijzingen kan geven aan de student en
het dienstverlenende karakter van de werkzaamheden, de opdrachtgever als
diegene die het feitelijk gezag uitoefent, aangemerkt. De hierboven
aangegeven bestandseisen, de richtlijnen en de algemene voorwaarden die
deze gedaagde overigens hanteert, heeft de rechtbank hierbij van
onvoldoende betekenis geacht om hierop reëel werkgeversgezag van
gedaagde III jegens de studentenchauffeurs te baseren.
Vanwege appellant is dit laatste in hoger beroep bestreden, waarbij de
in het geding van gedaagde III naar voren gekomen richtlijnen, die
gedragsregels van de chauffeurs naar de opdrachtgevers toe behelzen,
alsmede de algemene voorwaarden, welke ook een klachtenmogelijkheid
jegens gedaagde inhouden, worden gezien als uitvloeisel van een
samenstel van afspraken en gedragsregels die een gezagsverhouding van
de chauffeurs tot gedaagde realiseren.
De Raad deelt te dezen aanzien de gemotiveerde zienswijze van de
rechtbank en acht de naar voren gekomen gedragsregels van behoren en
netheid en de algemene voorwaarden in het geding van gedaagde III van zo
algemene, niet specifiek afdwingende aard jegens de studentenchauffeurs zelf dat hieruit voor de arbeidsverhouding van
dezen tot gedaagde III geen reëel werkgeversgezag van laatstbedoelde
voortvloeit. Ook in elementaire taakaspecten als het rijden op gezette
plaatsen en afgesproken tijden door de chauffeurs, waarbij de
opdrachtgevers een bepalende rol kunnen en zullen spelen, alsmede in het
houden van zeer beperkte klanttevredenheidsonderzoeken bij aanvang van
enige arbeidsverhouding door gedaagde ziet de Raad als zodanig geen
gerede aanknopingspunten om daarop wezenlijk gezag van gedaagde III zelf
jegens de studentenchauffeurs te baseren.
Volledigheidshalve - en a fortiori - stelt de Raad onder deze rubriek nog
vast dat hem in de gedingen betreffende de gedaagden I en II in het
geheel niet van zekere aanknopingspunten laat staan reële aanwijzingen
voor werkgeversgezag van betrokken gedaagden jegens de studentenchauffeurs is gebleken. Zulks brengt mee dat de drie gedingen onder C
alle onder een noemer kunnen worden gebracht en als zodanig gezamenlijk
nader kunnen worden beschouwd, behoudens rubriek D.
C. Biedt verzekeringsplicht van de studentenchauffeurs op
basis van artikelen 5, aanhef onder d, van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, in
verbinding met artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 december
1986, Stb. 1986, 655, bij wege van “tussenkomst” van gedaagden
voldoende grondslag?
De rechtbank heeft deze voor alle drie de gedingen voor de gedaagden I,
II en III centrale vraag, anders dan appellant, in ontkennende zin
beantwoord, omdat zij -de verplichting tot- persoonlijke
arbeidsverrichting door de betrokken studentenchauffeurs ontkent. Zij
acht voldoende aannemelijk geworden dat de aangezochte student vrij is
een ander te verzoeken de chauffeurswerkzaamheden te verrichten. Die
ander komt uit grote bestanden en behoeft slechts aan algemene eisen te
voldoen.
In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat voor de toepasselijkheid
van de zogenaamde tussenkomstbepaling een contractuele verplichting tot
persoonlijke arbeidsverrichting niet is vereist, doch dat voor het
aannemen van verzekeringsplicht te dien aanzien het feitelijk
persoonlijk verrichten van arbeid volstaat.
De Raad onderschrijft de juistheid van deze -v oor de betrokken sociale
verzekeringswetgeving van een ruimere uitleg voor het bestaan van een
arbeidsverhouding uitgaande - zienswijze met inachtneming van zijn vaste
jurisprudentie te dien aanzien. Verwezen wordt naar zijn uitspraken
van 4 april 1972, RSV 1972, nr. 209, alsmede van 3 november 1975, RSV
1976, nr. 108, en van 13 december 1977, RSV 1978, nr. 223. De Raad ziet
geen gegronde reden om hierop te dezen terug te komen.
De Raad acht overigens met appellant in casu voldaan aan het criterium
van feitelijke persoonlijke arbeidsverrichtingen door de betrokken
studentenchauffeurs. De laatsten werden bij uitstek door gedaagden uit
de geselecteerde min of meer vaste bestanden gehaald om op afroep de
concrete rijopdrachten voor derden te vervullen. Zij waren in die
bestanden terechtgekomen op te onderscheiden basis van persoonlijke
hoedanigheid met bevoegdheids- en bekwaamheidsvereisten - studenten met
rijbewijs, de nodige rijervaring, al dan niet onderworpen aan een
rijtest - alsmede van representativiteitsvereisten (voorkomen, kleding).
Willekeurige vervanging anders dan uit de desbetreffende bestanden was
klaarblijkelijk op grond van de tot de gedingstukken behorende
onderzoeksgegevens niet aan de orde, en evenmin met concrete bewijzen
aangetoond. Het behoren tot "de pool" bepaalde kennelijk of
een student een rijopdracht als chauffeur voor enige opdrachtgever kon
en mocht vervullen. Gedaagden moesten blijkbaar al naar gelang de
omstandigheden op enig gepast moment, zo niet vooraf in elk geval zo
tijdig mogelijk achteraf, op de hoogte worden gesteld wie van de
studentenchauffeurs uit de pool bij wege van vervanging de concrete
rijopdracht alsnog ging vervullen, dan wel had vervuld. De stelling
vanwege gedaagden als zouden de bestanden zowel door aanmerkelijke
grootte als door algemene inhoudelijke eisen als door snelle
fluctuaties relevant onderscheid missen om daarop een voldoen aan het
criterium van persoonlijke arbeidsverrichting te baseren, ontbeert onder
de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden een voldoende
feitelijke grondslag.
Overigens acht de Raad met appellant genoegzaam aannemelijk geworden
dat de betrokken chauffeurswerkzaamheden door de studenten steeds
verricht zijn ten behoeve van een derde, en wel door tussenkomst in de
zin als naar redelijke uitleg bedoeld door de regelgever, van een
persoon tot wie of een lichaam tot welk de arbeidsverhouding bestaat,
waarbij de verplichting tot loonbetaling metterdaad op die persoon of
dat lichaam heeft gerust.
Zulks houdt tevens in dat zowel een meer restrictieve uitleg van
tussenkomst zoals gedaagden voorstaan, van de hand wordt gewezen,
aangezien redactie en strekking van de betrokken bepaling hiervoor geen
steun bieden, als ook dat van - zeker niet in meerdere gevallen
verwaarloosbare - reële loonbetalingen in casu sprake is.
D. Is het zorgvuldig in verband met de verzekeringsplicht
van de studentenchauffeurs de premieplicht van gedaagde I reeds op 1
november 1996 te doen ingaan?
Gedaagde I heeft, zowel in het licht van een niet geheel consistente
aanpak van appellant vooraf te harer aanzien als met het oog op de
aanpassing van haar interne organisatie, erover geklaagd dat zij na het
basisbesluit van 23 oktober 1996 reeds op 1 november 1996 geconfronteerd is met
verzekeringsplicht/premieplicht ten aanzien van de betrokken
studentenchauffeurs en acht zulks de zorgvuldigheid te zeer geweld
aandoen. Zij pleit ter aanpassing voor een uitstelperiode hiervan van
twee jaar.
De Raad acht dit laatste in elk geval veel te lang, maar meent de grief
van gedaagde te dezen zorgvuldigheidshalve wel in zoverre te moeten
honoreren dat ter gerede instelling op de in kort tijdsbestek
aanmerkelijk gewijzigde financieel-organisatorische omstandigheden eerst
na ruim twee maanden per nieuw kalender- en boekjaar op 1 januari 1997
wegens de verzekeringsplicht van de betrokken studentenchauffeurs met
premieplicht rekening diende te worden gehouden. Overigens heeft
gedaagde I op zichzelf noch in geschrifte noch anderszins op
gerechtvaardigde gronden kunnen concluderen dat de betrokken
verzekeringsplicht/premieplicht ten aanzien van de studentenchauffeurs in de toenmalige toekomst nog langer zou
uitblijven. Aan appellant stond het benutten van de mogelijkheid
hiertoe bij gebleken gemotiveerde toepasselijkheid van de betrokken
wettelijke bepalingen als zodanig open.
E. Tot besluit
Op grond van het hiervoor overwogene komen de aangevallen uitspraken
voor vernietiging in aanmerking. De inleidende beroepen dienen ongegrond
te worden verklaard inzake de verzekeringsplicht van de betrokken
studentenchauffeurs. Daarbij dient in het geding van gedaagde I wel
het laatstoverwogene onder D inzake een verlaat ingangstijdstip per 1
januari 1997 van de premieplicht van laatstbedoelde gedaagde in acht te
worden genomen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde I in beroep en hoger beroep. Overigens acht de Raad geen
gronden voor vergoeding van proceskosten aanwezig.
De Raad stelt tenslotte vast dat het door gedaagde I zowel in beroep als
in hoger beroep gestorte griffierecht door appellant dient te worden
vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de inleidende beroepen van de gedaagden II en III alsnog
ongegrond;
Vernietigt inzake gedaagde I het bestreden besluit van 11 augustus voor zover het betreft de ingangsdatum van de premieplicht
en verklaart het inleidend beroep van gedaagde I overigens ongegrond;
Bepaalt dat de premieplicht van gedaagde I voor de betrokken
studentenchauffeurs eerst per 1 januari 1997 ingaat;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde I, tot een bedrag
van f 2.840,--;
Bepaalt dat appellant aan gedaagde I de gestorte rechten tot een totaal
bedrag van f 420,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.
Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|