|
Uitspraak
98/6781
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 25 april 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen de premienota over 1995, gedateerd 16 april
1996, en de bezwaren van appellant tegen het besluit van 18 juli 1996,
bij welk besluit gedaagde appellant geen premievrijstelling heeft
verleend voor de door hem aangemelde en voor hem werkzame personen die
geen dagonderwijs in Nederland volgen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 23
juli 1998 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand
te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 3 februari 1999
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 april 1999, ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 8 december 1999 de Raad doen
toekomen het Besluit Overgangsregeling Gelegenheidsarbeid BV TAB,
risicogroep Agrarische Bedrijven van 3 mei 1994 en het Besluit Melding
Gelegenheidsarbeid BV TAB, risicogroep Agrarische Bedrijven van eveneens
3 mei 1994.
Bij brief van 14 januari 2000 heeft gedaagde desverzocht overgelegd een
aan appellant gerichte brief van 18 oktober 1994.
Bij brief van 5 april 2000 heeft gedaagde een vanwege de Raad gestelde
vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 juni
2000, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - in persoon is
verschenen bijgestaan door mr. Van Dijk, voornoemd, en waar voor gedaagde
- daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. E.C.H.
Kouwenhoven, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant exploiteert een bloembollenbedrijf. In de zomermaanden zijn op
zijn bedrijf zogenaamde gelegenheidswerkers werkzaam. Het betreft hier
in hoofdzaak scholieren en studenten waaronder scholieren en studenten
met de Ierse nationaliteit.
Partijen worden in dit geding verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of en in hoeverre appellant premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten is verschuldigd over het loon dat hij in de
jaren 1995 en 1996 heeft uitbetaald aan gelegenheidswerkers.
In de jaren 1995 en 1996 golden de hiervoor in rubriek I vermelde
regelingen. Het Besluit Overgangsregeling Gelegenheidsarbeid BV TAB,
risicogroep Agrarische Bedrijven (hierna: de scholierenregeling) voorzag
in artikel 3 in vrijstelling van het betalen van premies, verschuldigd
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, indien aan enkele
voorwaarden was voldaan, waaronder de voorwaarde dat de verschuldigde
premie een arbeidsverhouding aangegaan met een scholier of student
betreft. Blijkens artikel 2 van de scholierenregeling wordt onder een
scholier of student verstaan de persoon die in Nederland dagonderwijs
volgt en voor wie recht op kinderbijslag bestaat of die recht heeft op
studiefinanciering.
In beroep en in hoger beroep is door appellant aangevoerd dat in de
betrokken jaren, gelijk in de jaren daaraan voorafgaand, een dermate
onduidelijke situatie bestond met betrekking tot de premieplicht voor
gelegenheidswerkers, dat het opleggen van premies over deze jaren in
strijd moet worden geacht met het zorgvuldigheids- en het
vertrouwensbeginsel. Pas met de inwerkingtreding per 1 maart 1997 van
het Aanwijzingsbesluit categorieën Wet premieregime bij marginale
arbeid sector Agrarisch bedrijf is in de visie van appellant de vereiste
duidelijkheid geschapen.
Voorts is van de zijde van appellant herhaald zijn stelling dat de
scholierenregeling in strijd is met het communautaire recht, omdat deze
regeling een discriminatoir karakter draagt nu daarin onderscheid wordt
gemaakt naar nationaliteit. Appellant acht het van groot belang
onbelemmerd gebruik te kunnen maken van buitenlandse scholieren en
studenten.
In zijn verweerschrift heeft gedaagde erop gewezen dat appellant bij
brief van 18 oktober 1994 is geďnformeerd omtrent de verschuldigdheid
van premie voor gelegenheidswerkers.
Bij brief van 21 februari 2000 is vanwege de Raad gedaagde verzocht om
gelet op hetgeen het Hof van Justitie van de EG heeft overwogen in het
arrest van 21 november 1991 in de zaak C27/91 (Hostellerie le Manoir),
Jur. 1991-I, blz. 5538, toe te lichten waarom de in de
scholierenregeling vervatte beperking tot in Nederland dagonderwijs
volgenden geen strijd zou opleveren met het communautaire recht, in het
bijzonder artikel 7, tweede lid, van EG-Verordening 1612/68.
Bij brief van 5 april 2000 heeft gedaagde de Raad laten weten dat de
beperking tot "het in Nederland dagonderwijs volgen" strijd
lijkt op te leveren met artikel 7, tweede lid, van EG-Verordening
1612/68. Hieraan heeft gedaagde toegevoegd dat, voor zover te dezen al
een norm is geschonden, deze norm niet beoogt om een belang van
appellant te beschermen en appellant in zoverre dan ook niet als
belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan
worden aangemerkt. Voorts heeft gedaagde erop gewezen dat ingevolge
artikel 8:2 van de Awb geen beroep openstaat tegen de
scholierenregeling. Tenslotte heeft gedaagde opgemerkt dat de beperking
tot "het in Nederland dagonderwijs volgen" is gesteld in
verband met de handhaving van de regeling.
Ter zitting van de Raad is namens gedaagde en zulks in navolging van
hetgeen de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft overwogen,
benadrukt dat de scholierenregeling niet de nationaliteit van de
gelegenheidswerker als onderscheidend criterium kent.
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de
Raad allereerst dat hij met gedaagde van oordeel is dat appellant tijdig
is geďnformeerd omtrent de van de toepassing zijnde regelgeving. Gelijk
de Raad heeft overwogen in zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 17
oktober 1996, 96/1389 ALGEM, is appellant bij brief van 18 oktober 1994
door gedaagde hierover geďnformeerd. Voorzover appellant meent dat deze
brief de door hem gewenste duidelijkheid nog niet verschafte, had het op
zijn weg gelegen zich tot gedaagde te wenden met een verzoek om nadere
inlichtingen.
De grief van appellant dat de scholierenregeling, althans de daarin
gestelde voorwaarde van het in Nederland onderwijs volgen in strijd moet
worden geacht met het communautaire recht treft daarentegen wel doel. De
Raad overweegt daartoe het volgende.
Te dezen is van betekenis artikel 7 van Verordening (EEG) nr 1612/68 van
de Raad van de EG van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van
werknemers binnen de gemeenschap, PbEG 1968 L257/2. Dit artikel luidt
als volgt:
-1. Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het
grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit
anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle
voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van
beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden,
wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
-2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de
nationale werknemers.
-3. (...)
-4. Bepalingen van collectieve of individuele arbeidsovereenkomsten of
van enige andere collectieve regeling inzake het aanvaarden van arbeid,
de tewerkstelling, de beloning de overige arbeidsvoorwaarden en de
voorwaarden voor ontslag zijn van rechtswege nietig, voor zover daarin
discriminerende voorwaarden worden vastgesteld of toegestaan ten opzicht
van werknemers die onderdaan zijn van andere Lid-Staten.
Voorts is van betekenis voormeld arrest van 21 november 1991 waarbij het
Hof van Justitie voor recht heeft verklaard dat het verbod van elke
discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van beloning en
sociale voordelen, zoals neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag
respectievelijk artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr 1612/68 van
de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers
binnen de Gemeenschap, zich verzet tegen een nationale regeling
ingevolge een met de inning van de socialezekerheidsbijdragen belast
lichaam verplicht is, in het geval van een stagiair die niet onder het
nationale onderwijsstelsel valt, een berekeningsgrondslag voor de
werkgeversbijdragen te hanteren die ongunstiger is dan die waarvan wordt
uitgegaan in het geval van een stagiair die wel onder het nationale
stelsel valt.
Voor de Raad lijdt het mede gelet op dit arrest geen twijfel dat de in
de scholierenregeling vervatte beperking tot in Nederland dagonderwijs
volgen een op grond van voormeld artikel 7, tweede lid, verboden
onderscheid naar nationaliteit inhoudt. Hoewel de regeling zelf niet
rept over de nationaliteit van de schoolgaande of studerende
gelegenheidswerkers, brengt in algemene zin de beperking van het in
Nederland onderwijs volgen nochtans een onderscheid naar nationaliteit
in de praktijk wel degelijk mee. Van verboden onderscheid naar
nationaliteit kan immers ook sprake zijn indien de gehanteerde criteria
in feite tot dit resultaat leiden. Gelet op de overige voorwaarden voor
premievrijstelling die in de scholierenregeling zijn gesteld, moet
worden vastgesteld dat bepaald geen sprake is van een verwaarloosbaar
verschil tussen enerzijds de premievrijstelling voor (in hoofdzaak)
Nederlandse scholieren en studenten en anderzijds de premieheffing over
de beloning aan scholieren en studenten die onderdaan zijn van een
andere lidstaat en aldaar dagonderwijs volgen.
De Raad deelt niet de mening van gedaagde dat appellant zich niet op
artikel 7 van de verordening kan beroepen. Het beroep van gedaagde op
artikel 8:2 van de Awb faalt, omdat dit artikel onverlet laat de
toetsing van een regeling als de scholierenregeling in het kader van een
beroep tegen een op basis van die regeling genomen besluit. Dat een
werkgever zich kan beroepen op communautaire bepalingen inzake het vrije
verkeer van werknemers ligt niet alleen reeds besloten in voormeld
arrest van 21 november 1991, maar tevens in het arrest van het Hof van
Justitie van 7 mei 1998, zaak C350/96 (Clean Car Wash Autoservice GesmbH).
De Raad moet voorts vaststellen dat gedaagde niet aannemelijk heeft
gemaakt dat voor het hiervoor gewraakte onderscheid een
rechtvaardigheidsgrond aanwezig was. De stelling dat het onderscheid
noodzakelijk werd geacht met het oog op de handhaving, acht de Raad bij
gebreke van enige onderbouwing onvoldoende. De Raad wijst er hierbij ook
op dat bij het door appellant genoemde, op 1 maart 1997 in werking
getreden aanwijzingsbesluit het onderscheid is komen te vervallen en
desgevraagd namens gedaagde ter zitting van de Raad is verklaard dat
zulks bij de uitvoering niet tot problemen heeft geleid.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde de scholierenregeling voor zover
daarin voor premievrijstelling de voorwaarde is vervat dat daarvoor
alleen scholieren en studenten die hier te lande dagonderwijs volgen in
aanmerking komen, buiten toepassing had moeten laten. Aangezien gedaagde
niettemin bij het bestreden besluit deze voorwaarde appellant heeft
tegengeworpen, komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7,
tweede lid, van Verordening nr. 1612/68 voor vernietiging in aanmerking.
Dit laatste brengt tevens mee dat de aangevallen uitspraak, waarbij dit
besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 2.840,- voor verleende
rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellant zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,-;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 215,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|