|
Uitspraak
98/2018
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X. Beheer B.V., gevestigd te B., appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 april 1997 heeft gedaagde appellante in kennis
gesteld van zijn op bezwaar gegeven besluit inzake een voorschotnota
sociale verzekeringen over 1996.
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 2
februari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Vanwege appellante is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op de
gronden, uiteengezet in aanvullend beroepschriften d.dis 29 mei 1998 en
15 juni 1998.
Onder dagtekening 7 september 1998 is van de zijde van gedaagde een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 mei 1999,
waar namens appellante is verschenen mr. E.R. Maas, als belastingadviseur werkzaam bij
Paardekoper & Hoffman Belastingadviseurs te Rotterdam, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.A.J. Berkers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Omtrent de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
overweegt de Raad het volgende.
Tot 1 januari 1991 exploiteerde C., wonende te D. en geboren in 1931
(hierna: C.) een installatiebedrijf in de vorm van een eenmanszaak.
Vanaf eerstgenoemd tijdstip werd de onderneming uitgeoefend in het kader
van een vennootschap onder firma, waarin naast C., E. en F., beiden te G.
(hierna: het echtpaar H.), als vennoten deelnamen.
Per 1 januari 1993 werd de rechtsvorm van de onderneming omgezet in die
van een commanditaire vennootschap, waarin C., die zich vanwege zijn
leeftijd had teruggetrokken uit de bedrijfsvoering, commanditair vennoot
was.
Op 30 maart 1995 hebben C. en het echtpaar H. de appellerende besloten
vennootschap - X. Beheer B.V. - opgericht, in welke besloten vennootschap
voormelde onderneming volledig werd ingebracht. Daarbij is gebruik
gemaakt van de fiscale faciliteit van artikel 18 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964. Voor deze zogeheten geruisloze inbreng was
vereist dat alle vermogensbestanddelen in de vennootschap werden
ingebracht en dat de vennoten in eenzelfde verhouding als voorheen
zouden participeren in het aandelenkapitaal. Voorts gold daarbij de
voorwaarde dat de aandelen gedurende een termijn van drie jaar niet
zouden worden vervreemd.
In het geplaatste aandelenkapitaal nam C. deel met 3.850 cumulatief
preferente aandelen van 7% en 150 gewone aandelen, en nam het echtpaar
H. deel met 3150 gewone aandelen. C. had, zoals bepaald in artikel 14
van de oprichtingsakte van appellante, in verband met het bezit van
evengenoemde cumulatief preferente aandelen (waarvan de waarde
overeenkwam met de waarde van het door hem ingebrachte bedrijfspand, die
op het tijdstip van inbreng f 385.000,-- bedroeg) recht op een
jaarlijkse uitkering uit de winst van 7% van genoemd bedrag. Bij de
verdeling van de winst gaat de uitkering op genoemde preferente aandelen
vóór op uitkeringen op gewone aandelen, terwijl de omstandigheid dat
het cumulatief preferente aandelen zijn, betekent dat het recht op
uitkering blijft bestaan indien in een jaar geen winst is behaald of de
winst niet toereikend is voor toekenning van een dergelijke uitkering.
Op 11 april 1995 hebben C. en het echtpaar H., beiden directeur van
appellante, een samenwerkingsovereenkomst gesloten, welke er onder meer
op was gericht de continuïteit van de arbeidsovereenkomsten tussen
appellante en het echtpaar H. te verzekeren gedurende de samenwerking
tussen partijen, die - zoals in eerstgenoemde overeenkomst nader is
aangegeven - was beoogd voor een tijdvak van drie jaar.
Het echtpaar H. heeft na het verstrijken van die periode de aandelen van
C. overgenomen.
De rechtbank heeft, evenals gedaagde, geoordeeld dat er sprake is van
een gezagsrelatie tussen appellante en het echtpaar H.. Daartoe is in
aanmerking genomen dat aan het echtpaar H. op basis van hun
aandelenbezit geen doorslaggevende stem toekomt in de algemene
aandeelhoudersvergadering van appellante. Aan deze statutaire positie
van ondergeschiktheid doet naar het oordeel van de rechtbank niet af de
omstandigheid dat C. ondanks zijn statutaire machtspositie feitelijk
geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering en bij de oprichting van
appellante om fiscale redenen (tijdelijk) voor zijn aandelenbezit heeft
geopteerd. Ook in de tussen C. en het echtpaar H. gesloten
samenwerkingsovereenkomst acht de rechtbank geen beletsel gelegen om ten
aanzien van het echtpaar H. een positie van ondergeschiktheid aan te
nemen, zulks mede omdat die overeenkomst onverlet laat dat C., vanuit
vennootschappelijk oogpunt bezien, de macht over de door hem in de
algemene aandeelhoudersvergadering uit te brengen stem volledig behoudt.
Van de zijde van appellante is betoogd dat er onvoldoende materiële
aanwijzingen zijn voor het aanwezig achten van een gezagsrelatie tussen
appellante en het echtpaar H. Daartoe is onder meer het volgende naar
voren gebracht.
Vóór de oprichting van appellante op 30 maart 1995, alsmede na
eerdervermelde verkrijging van de aandelen van C., was er ten aanzien
van het echtpaar H. geen sprake van een verzekeringsplichtige
dienstbetrekking.
De hiervoor omschreven - als tijdelijk beoogde - samenwerking met C. in de
periode, gelegen tussen 30 maart 1995 en het tijdstip van overname van
de aandelen van C., leverde met betrekking tot de bedrijfsvoering, die
reeds geheel in handen lag van het echtpaar H., geen verschil op ten
opzichte van de situatie welke in het kader van de commanditaire
vennootschap bestond vóór 30 maart 1995.
Alleen in verband met de fiscale faciliteit van artikel 18 van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 heeft eerderomschreven verdeling van de
aandelen plaatsgevonden. Blijkens de toedeling van voornoemde cumulatief
preferente aandelen aan C., was het deze aandeelhouder, die zich reeds
eerder had teruggetrokken uit de bedrijfsvoering, slechts om te doen
gedurende de periode waarin hij nog in de vennootschap zou participeren,
een zo zeker mogelijk rendement van zijn geïnvesteerde vermogen te
verkrijgen.
Dat C. de bedrijfsvoering en het bestuur van appellant in feite geheel
had overgelaten aan het echtpaar H. en daarop geen invloed wenste uit te
oefenen, blijkt voorts uit eerdergenoemde samenwerkingsovereenkomst.
Met betrekking tot de in dit geding aan de orde zijnde vraag of er
tussen appellante en het echtpaar H. een privaatrechtelijke
dienstbetrekking bestond, waarbij met name de aanwezigheid van een
gezagsverhouding aan de orde is, overweegt de Raad het volgende.
Indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder van
een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de
eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat zij of hij werkzaam
is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.
Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere
feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet
aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten
aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem
heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad van oordeel
dat er in het onderhavige geval onvoldoende materiële aanwijzingen
bestaan voor het aanwezig achten van een zodanige uitzonderingssituatie.
De Raad is van oordeel dat de hiervoor weergegeven betrekkingen en
afspraken tussen de aandeelhouders van appellante in de periode hier in
geding niet behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de
onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming
zouden blijken te zijn dan in de door belanghebbenden beoogde of
verwachte situatie, het echtpaar H. zou worden geconfronteerd met enige
vorm van gezagsuitoefening van de zijde van C.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de hiervoor genoemde
samenwerkingsovereenkomst niet kan leiden tot een andersluidende
opvatting, aangezien deze overeenkomst voor de vennootschappelijke
verhoudingen geen beslissende betekenis heeft.
Aangezien de Raad ook overigens geen grond heeft kunnen vinden om het
bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in eerdervermelde
zin in twijfel te trekken, komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, als voorzitter en door mr. H.C.
Cusell en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 17 juni 1999.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|