|
Uitspraak
97/12191
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
B.V. X, gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellante is bij gemachtigde M.H.G.A. Vink, werkzaam bij Ernst &
Young, belastingadviseurs te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift
van 25 maart 1998 aangegeven gronden, in hoger beroep gekomen van een
door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 9 december
1997 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is bij schrijven van 28 mei 1998 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juni
1999, waar appellante, zoals tevoren bericht, niet is verschenen,
terwijl gedaagde, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M.
Staalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante is
aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, de volgende feiten:
"Eiseres is een dochteronderneming van Beheersmaatschappij Q B.V..
In 1992 heeft eiseres een achtdaagse reis naar Kreta georganiseerd voor
haar werknemers en hun partners. De werknemers konden uitsluitend kiezen
tussen wel of niet meegaan. Indien ze niet meegingen kregen ze er niets
anders voor in de plaats. Naast de directeur van eiseres en zijn
echtgenote - tevens werkzaam voor eiseres - hebben negen werknemers aan de
reis deelgenomen, waarvan vijf werknemers werden vergezeld door hun
partner. Een werknemer is niet meegegaan. De reis heeft geduurd van 16
april 1992 tot 24 april 1992. Twee echtparen zijn op eigen kosten een
week langer gebleven. De kosten van de reis bedroegen f 1.385,-- per
persoon voor de reis en het verblijf op basis van halfpension. Daarnaast
heeft eiseres een bedrag betaald van f 92,-- per persoon voor lunches en
drankjes overdag. De overige kosten zijn voor rekening van de deelnemers
gekomen.
In 1994 heeft de Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoort een
deelonderzoek verricht naar de door eiseres bekostigde reizen voor haar
werknemers in het jaar 1992. Hiervan is d.d. 12 juli 1994 verslag
gedaan.
Verweerder heeft het bedrag van de reissom alleen als loon beschouwd
voor de vier werknemers met een salaris hoger dan f 50.000,-- per jaar.
Als gevolg hiervan heeft verweerder, gebruikmakend van de resultaten van
het hiervoor vermelde onderzoek, eiseres bij correctienota van 5 januari
1995 over het jaar 1992 een naheffing opgelegd van f 1.400,-- wegens
geconstateerde loonverschillen in dat jaar ad f 5.540,--.
Namens eiseres is tegen deze correctienota, het primaire besluit, bij
schrijven van 27 januari 1995 bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden
besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en
de correctienota gehandhaafd.
Verweerder is van mening dat de door eiseres voor de vier onderhavige
werknemers betaalde reiskosten als loon in natura van deze werknemers
moet worden aangemerkt, waarover derhalve premies moeten worden geheven.
Eiseres stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de reis
voornamelijk een zakelijk karakter had, waardoor het niet tot het loon
dient te worden gerekend. Het was een reis die ten doel had om de
samenwerking tussen medewerkers van de binnen- en de buitendienst te
verbeteren. Er vonden dagelijks besprekingen plaats. Het reisschema was
niet naar eigen inzicht in te vullen. Subsidiair stelt eiseres dat
uitgegaan moet worden van het bedrag aan besparing, waarbij eiseres
opmerkt dat het bestedingspatroon van de werknemers inzake
vakantiereizen in 1992 niet heeft afgeweken van andere jaren. Meer
subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag aan besparing
maximaal f 25,-- per persoon per dag heeft bedragen."
De rechtbank heeft, oordelend over de waarde van de door appellante
betaalde reis naar Kreta, met toepassing van artikel 8, eerste lid, van
de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV), alsmede de richtlijnen
zoals deze zijn neergelegd in de circulaire van de voormalige Sociale
Verzekeringsraad van 20 december 1991, nr. 976, deze waarde bepaald op
100%.
In hoger beroep is in geding de waardering van de onderhavige reis (de
reiskosten terzake) naar Kreta.
Hierbij merkt de Raad op dat gedaagde blijkens zijn verweerschrift de
premienota's terzake van het nageheven loon alsnog heeft teruggebracht
tot een bedrag van f 262,--, het in geld genoten voordeel dat één
werknemer van appellante terzake van de reis naar Kreta zou hebben
genoten, zodat reeds daarom het bestreden besluit voor vernietiging in
aanmerking komt.
De Raad overweegt het volgende.
Van de kant van appellante is in de eerste plaats betoogd dat sprake is
van een reis met een zakelijk karakter. De Raad laat daar wat er van dit
betoog is, nu voor de toepassing van de CSV dit betoog relevantie mist.
De CSV bepaalt immers in artikel 4 dat loon is al hetgeen uit
dienstbetrekking is genoten, terwijl in artikel 6 van de CSV de
uitzonderingen op dit ruime loonbegrip zijn neergelegd. De Raad ziet
niet in dat de onderhavige reiskosten zijn te schikken onder een der
uitzonderingen als in laatstvermelde bepaling vermeld. Daarnaast is de
Raad van oordeel dat appellante niet heeft onderbouwd dat sprake is van
een reis met een puur zakelijk karakter.
Vervolgens heeft appellante betoogd dat de waardering van het
onderhavige niet in geld genoten voordeel dient te leiden tot een
besparing van nihil, dan wel 50%.
Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de betaling van de
kosten van de reis naar Kreta door appellante, is aan te merken als loon
in natura, en dat derhalve de waarde, aangezien de reis niet te gelde
kon worden gemaakt, dient te worden gesteld op het bedrag van de
besparing. De rechtbank heeft het bedrag van de besparing vastgesteld op
100% van het bedrag van de reiskosten.
De Raad is van oordeel dat het bedrag van de besparing aldus te hoog is
vastgesteld. Niet uit het oog mag worden verloren dat deelname aan een
reis als de onderhavige toch een min of meer verplicht karakter heeft.
Bovendien vormt naar het oordeel van de Raad de omstandigheid dat de
werknemer gedurende een week met zijn collega's op stap is, toch ook een
factor die de waarde van de besparing negatief beïnvloedt. De Raad ziet
in het voorgaande grond om de waarde van de besparing ex aequo et bono
vast te stellen op 50%.
De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat gedaagde
de onderhavige voordelen ten onrechte heeft gewaardeerd op 100%.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante in eerste aanleg ten bedrage van f 1.420,-- en in hoger
beroep ten bedrage van f 710,--.
Voorts dient gedaagde aan appellante het van haar in eerste aanleg en in
hoger beroep geheven griffierecht te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van
in totaal f 2.130,--;
Gelast dat gedaagde aan appellante het griffierecht ten bedrage van in
totaal f 1.030,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. H.C. Cusell
en mr. H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 1999.
(get.)
R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 6a, 7 en 8 van die
wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|