|
Uitspraak
voorzieningenrechter 97/9950
ALGEM-VV, 97/9529 ALGEM en 97/9530 ALGEM
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet
in het geding tussen:
X B.V., gevestigd te Y, verzoekster,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Onder dagtekening 25 september 1996 heeft gedaagde aan verzoekster
kennis gegeven van zijn - op een bezwaarschrift van verzoekster genomen
-
besluit dat A werkzaam is in een met verzoekster bestaande
arbeidsverhouding die verplichte verzekering ingevolge de
Werkloosheidswet (hierna: WW), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), de Ziektewet (hierna:
ZW) en de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) met zich meebrengt.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij
uitspraak van 13 augustus 1997 een verzoek van verzoekster tot het
treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, het beroep van
verzoekster gegrond verklaard en het bestreden besluit en het primaire
besluit d.d. 5 augustus 1996 vernietigd.
Gedaagde heeft bij schrijven van 16 september 1997 tegen deze uitspraak
hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Namens verzoekster heeft mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, bij
schrijven van 23 september 1997 eveneens hoger beroep ingesteld tegen
deze uitspraak.
Bij schrijven van 10 oktober 1997 heeft mr. H.J. Breeman, voornoemd,
namens verzoekster 's Raads president verzocht om met toepassing van
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de
schorsende werking van het hoger beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank op te heffen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 6 november 1997 de gronden van zijn
hoger beroep aan de Raad kenbaar gemaakt.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 november 1997, waar voor
verzoekster zijn verschenen mr E.M. Hovenier, kantoorgenote van mr. H.J. Breeman voornoemd, W. Pons,
directeur van verzoekster en F. Coenradi, administrateur van
verzoekster. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen
vertegenwoordigen door mr. A.E.J.M. Gielen, werkzaam bij het Gak Nederland B.V. Op verzoek van
de president heeft gedaagde zich bereid verklaard nadere inlichtingen in
te winnen en is de behandeling ter zitting met instemming van partijen
geschorst.
Bij faxbericht van 4 december 1997 heeft gedaagde nadere
onderzoeksgegevens aan de Raad doen toekomen.
De behandeling ter zitting is voortgezet op 8 december 1997, waar, naast
voormelde personen, tevens aanwezig was A, voornoemd.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet kan,
indien tegen de uitspraak van de rechtbank of van de president van de
rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is
ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat
de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting
waarin het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan
doen in de hoofdzaak.
Gelet op de inhoud van de gedingstukken en gezien het verhandelde ter
zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs
niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat er termen
aanwezig zijn om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
Verzoekster maakt deel uit van een internationale organisatie die in
Europa autowasstraten in beheer geeft aan exploitanten middels de
zogenaamde "IMO-franchiseformule". Verzoekster heeft op 29
maart 1996 met A (hierna: A), toentertijd handelende onder de naam A
Autowasstraat B.V. i.o., een franchiseovereenkomst gesloten om op een
locatie te B een autowasstraat te exploiteren.
De omvangrijke franchiseovereenkomst bevat bepalingen over onder meer
de exploitatie van de autowasstraat, de te gebruiken producten, het
beheer van de wasstraat, financiële verplichtingen, prijsafspraken,
duur en beëindiging van de overeenkomst, en verschuldigdheid van een
goodwillvergoeding.
Bij de franchiseovereenkomst behoort voorts een reglement waarin met
name een groot aantal bepalingen is opgenomen over de wijze van
exploitatie van de autowasstraat.
Gedaagde heeft na kennisneming van de franchiseovereenkomst en het
reglement een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen verzoekster
en A aanwezig geacht en dit standpunt in het (primaire) besluit van 5
augustus 1996 vastgelegd. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de
door verzoekster aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard en het
primaire besluit gehandhaafd.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat er tussen A en
verzoekster geen gezagsverhouding bestaat, dat A geen verplichting heeft
om persoonlijk arbeid te verrichten en dat A de werkzaamheden verricht
in de (zelfstandige) uitoefening van een bedrijf. Om die reden zou er
noch een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht tussen verzoekster en
A bestaan, noch een arbeidsverhouding die daarmee kan worden
gelijkgesteld.
De president ziet aanleiding om allereerst te beoordelen of de
franchiseovereenkomst de franchisenemer verplicht om persoonlijk arbeid
te verrichten.
Gedaagde heeft hieromtrent in zijn schrijven van 4 december 1997 het
volgende aangevoerd:
"Ingevolge de franchiseovereenkomst is de heer A als
franchisenemer gehouden de wasstraat te beheren (vide pag. 4, derde
alinea van de overeenkomst). De heer A is belast met de leiding van de
exploitatie van een wasstraat (vierde alinea). Het beheren van een
wasstraat en het leiding geven in de exploitatie van een wasstraat zijn
werkzaamheden die de heer A ingevolge de overeenkomst met X dient te
verrichten. Deze taken dient de heer A zelf te verrichten ingevolge de
franchiseovereenkomst. Het is de heer A verboden om deze taken op of
over te dragen aan een derde (vijfde alinea). Het feit dat de heer A
ingevolge het contract niet verplicht is zelf de voorkomende
werkzaamheden in de wasstraat uit te voeren, betekent niet dat aan de
heer A opgedragen werkzaamheden, te weten het runnen van de wasstraat,
door derden mogen worden verricht. De heer A heeft blijkens het
GAK-rapport (pagina 2, zesde regel) verklaard de leiding niet te kunnen
overdragen en als franchisenemer altijd verantwoordelijk te blijven.
Ondergetekende meent dat niet ontkend kan worden dat leiding geven en
beheren van een wasstraat het verrichtten van arbeid inhoudt, voor welke
arbeid geen vervanging is toegestaan.
Met betrekking tot de "voorkomende werkzaamheden in de
wasstraat" (dit zijn de werkzaamheden die de heer A ingevolge het contract door zijn personeel mag laten verrichten;
vide pag. 4 vierde alinea) kan niet ontkend worden dat de heer A tot op
zekere hoogte de omvang van zijn aandeel in deze werkzaamheden zelf kan
bepalen. Van belang is echter dat de marges ten gevolge van de door X
wekelijks vast te stellen franchisevergoeding dermate klein zijn dat de
heer A in feite zes tot zeven dagen per week werkt.
Natuurlijk is het zo dat zakelijke contracten een ondernemer kunnen
noodzaken tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een groot
aantal uren per week. Verreweg het merendeel van de ondernemers kan zich
niet veroorloven thuis te zitten en de werkzaamheden aan personeel over
te laten, waarbij zakelijke contracten, met bijvoorbeeld financierders
(banken) of afnemers hen dwingen tot arbeidsverrichting. In deze
situaties ontstaat natuurlijk geen arbeidsovereenkomst tussen de
ondernemer en de financierder of afnemer. Een verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting is in die gevallen wel aanwezig doch de
vereiste gezagsverhouding ontbreekt.
Opmerkelijk in de relatie tussen de heer A en X is het gegeven dat de
heer A gemiddeld eenmaal per week voor X werkzaam is in wasstraten die X
in eigen beheer heeft bij gebreke van een zelfstandig beheerder. De heer
A heeft zulks telefonisch tegenover ondergetekende verklaard. Hieruit
volgt naar de mening van ondergetekende de heer A te beschouwen is als
iemand die zijn arbeidskracht ten dienste van X stelt. De relatie tussen
de heer A en X wordt niet uitsluitend geredigeerd door de tussen
partijen gesloten franchiseovereenkomst (in strikte zin), doch door een
verhouding die naar de mening van ondergetekende niet anders dan als
arbeidsovereenkomst kan worden betiteld.".
Artikel 2a van de franchiseovereenkomst, waarvan de derde tot en met de
vijfde alinea de door gedaagde aangehaalde alinea's betreffen, luidt als
volgt:
"Franchisenemer exploiteert
De franchisegever en de franchisenemer komen overeen dat de
franchisenemer de algehele exploitatie van de wasstraat op zich neemt.
Dit houdt in, dat de franchisenemer met inachtneming van de bepalingen
en voorwaarden van deze overeenkomst en van het tussen partijen van
toepassing zijnde franchisereglement, de exploitatie van de wasstraat
voor eigen rekening en risico zal uitoefenen als zijnde zijn eigen
onderneming. Voornoemd franchisereglement, hierna aan te duiden met
"het reglement", maakt onderdeel uit van en behoort bij deze
overeenkomst. De franchisenemer verklaart hierbij uitdrukkelijk een
exemplaar van dit reglement te hebben ontvangen, kennis te hebben
genomen van de inhoud van het reglement en met de toepassing daarvan in
te stemmen.
Door de franchisenemer gesloten overeenkomsten met derde(n) verbinden
nimmer de franchisegever, doch doen slechts verbintenissen ontstaan
tussen de desbetreffende derde(n) en de franchisenemer. De
franchisenemer is niet bevoegd op naam en/of voor rekening van de
franchisegever te handelen.
De franchisenemer zal de wasstraat beheren conform de bepalingen van
deze overeenkomst, van het reglement en de op basis van tijd tot tijd
door de franchisegever te verstrekken (schriftelijke) aanbevelingen.
De franchisenemer zal belast zijn met de leiding van de exploitatie van
de wasstraat, waarbij de franchisenemer niet verplicht is zelf de
voorkomende werkzaamheden in de wasstraat uit te voeren maar deze
werkzaamheden, onder zijn leiding, door zijn personeel kan laten
verrichten.
Het is de franchisenemer uitdrukkelijk verboden de wasstraat geheel of
gedeeltelijk te verhuren of onder welke titel dan ook in gebruik te
geven en/of de exploitatie resp. het beheer van de wasstraat geheel of
gedeeltelijk aan derden, rechtspersonen daaronder begrepen, op of over
te dragen dan wel af te staan dan wel te bezwaren, tenzij de
franchisenemer daartoe de uitdrukkelijke, schriftelijke goedkeuring van
de franchisegever voor heeft gekregen.
Onder derden worden hier ook verstaan rechtspersonen waarin de
franchisenemer direct of indirect de zeggenschap, in welke vorm ook, kan
uitoefenen, De franchisenemer wordt door deze overeenkomst geen agent of
vertegenwoordiger van de franchisegever.
De franchisenemer erkent het uitsluitend recht van de franchisegever op
de franchiseformule en daaronder begrepen het recht om, met inachtneming
van deze overeenkomst, franchiserechten te verlenen.
De franchisenemer zal, behoudens uitdrukkelijke schriftelijke
toestemming van de franchisegever, tijdens de duur van deze overeenkomst
generlei zakelijke relatie mogen onderhouden met een keten of een
rechtspersoon, die in dezelfde bedrijfstak een soortgelijke
franchiseformule toegepast.
Bij overtreding van het in de vorige alinea van dit artikel vermelde is
de franchisenemer aan de franchisegever een direct opeisbare boete
verschuldigd van duizend gulden voor iedere dag dat de overtreding
voortduurt, onverminderd het recht van de franchisegever om, indien de
door hem geleden schade meer dan het totale boetebedrag mocht belopen,
volledige schadevergoeding te vorderen.".
In het door gedaagde aangehaalde tekstgedeelte uit het "Gak-rapport"
d.d. 2 december 1997 is het volgende vermeld:
"De franchisenemer blijft altijd
verantwoordelijk. Hij kan de leiding
dus niet overdragen."
Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden kan de
president gedaagde in het hierboven weergegeven betoog niet volgen. De
president stelt vast dat de franchiseovereenkomst er niet toe strekt
dat A persoonlijk arbeid dient te verrichten, doch dat A tegen
vergoeding het recht verkrijgt om een onderneming te exploiteren volgens
de IMO-franchiseformule. Bij het exploiteren van die onderneming staat
het A vrij om, zonder te handelen in strijd met de
franchiseovereenkomst, voorkomende werkzaamheden door anderen te laten
verrichten, zolang de eindverantwoordelijkheid maar bij hem zelf berust.
Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van een verplichting
tot persoonlijke arbeidsverrichting, zodat er noch sprake is van een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, noch van een daarmee
ingevolge artikel 5, aanhef en onder d, van de ZW, WAO en WW gelijk te
stellen arbeidsverhouding.
Hieraan doet niet af dat A feitelijk de werkzaamheden grotendeels zelf
verricht.
Gedaagde heeft voorts gewezen op het feit dat A gemiddeld één dag per
week in een andere autowasstraat van verzoekster werkzaam is.
De president stelt echter vast dat deze werkzaamheden zijn
overeengekomen met Autowasstraat A B.V., zodat de vraag rijst of ook
hier wel sprake is van een arbeidsverhouding waarin A verplicht is
persoonlijk arbeid te verrichten. Voorts vloeien deze werkzaamheden niet
voort uit de tussen A en verzoekster gesloten franchiseovereenkomst. Nu
het bestreden besluit slechts betrekking heeft op uit de
franchiseovereenkomst voortvloeiende werkzaamheden, vallen de
werkzaamheden die A in andere autowasstraten heeft verricht buiten het
onderwerp van het bestreden besluit en behoeven derhalve geen
beoordeling in het onderhavige geschil.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de overige geschilpunten geen
bespreking meer behoeven, nu vast is komen te staan dat, door het
ontbreken van een uit de franchiseovereenkomst voortvloeiende
verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, geen arbeidsverhouding
tussen verzoekster en A is ontstaan die verplichte verzekering ingevolge
de ZW, WAO, WW en Zfw met zich meebrengt. De aangevallen uitspraak komt
derhalve, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, ziet de president geen
aanleiding om enigerlei voorlopige voorziening te treffen.
De president acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in hoger
beroep, zowel terzake van het verzoek om een voorlopige voorziening als
terzake van de bodemprocedure. De ingevolge dat artikel en het Besluit
proceskosten bestuursrecht te vergoeden proceshandelingen betreffen het
verzoekschrift (1 punt), het (voorlopig) beroepschrift (½ punt) en het
verschijnen ter zitting op 17 november en 8 december 1997 (1½ punt). Gedaagde dient
derhalve een bedrag van f 2.130,-- aan verzoekster te vergoeden.
Voorts dient gedaagde het door verzoekster terzake van het verzoek om
een voorlopige voorziening en terzake van de bodemprocedure gestorte
recht ad f 1.260,-- te vergoeden.
Tevens dient van gedaagde een recht van f 630,-- te worden geheven.
III. BESLISSING
De president van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekster, begroot op f
2.130,--;
Bepaalt dat gedaagde het door verzoekster gestorte griffierecht ad f
1.260,-- vergoedt;
Bepaalt dat van gedaagde een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven op 12 december 1997 door mr. A.F.M. Brenninkmeijer,
president, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Wolthuis als griffier en op
die datum in het openbaar uitgesproken.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) H.D.
Wolthuis.
|
|